zaterdag 30 januari 2016

Ecomodernisme: een nieuwe tint groen

In dialoog met de Gentse ecomodernist Bart Coenen

Bart Coenen heeft een verleden bij Agalev (1999-2003) en de Vereniging voor Ecologisch Leven en Tuinieren (Velt), waar hij van 2004 tot 2014 aan de slag was. Hij is de oprichter en hoofdredacteur van de ecomodernistische nieuwswebsite BackCover. Uit het vorig jaar gepubliceerde Ecomodernistisch Manifest, dat door Coenen in het Nederlands werd vertaald, spreekt de overtuiging dat de wetenschappelijke vooruitgang ons naar een duurzame toekomst stuwt. Het ecomodernisme is een nieuwe schakering van groen die gemengde reacties oproept, onder andere omdat ze controversiële technologieën omarmt zoals kernenergie en GGO’s. Oordeelt u vooral zelf.

Vroeger was u een traditioneel ecologist, nu bent u ecomodernist. Waarom bent u van kamp veranderd?

Ik was als student actief bij Jong Agalev, waar ik al snel radicaliseerde. Ik noemde mezelf donkergroen en heb nog gekampeerd in Doel om actie te voeren tegen de kerncentrale. Daarna ben ik beginnen werken bij Agalev.Het was de periode dat de groenen deel uitmaakten van de federale en Vlaamse regering. Ik was er allround medewerker, zowel inhoudelijk als organisatorisch actief op het partijsecretariaat, overal waar ik kon bijspringen. Uiteindelijk kreeg ik vast werk op de raadsledendienst, waar ik de groene OCMW-raadsleden ondersteunde. Dan kwamen echter de desastreuze verkiezingen van 2003. Zoals quasi iedereen bij Agalev stond ik op straat. Dat was voor mij een heel zware klap. Ik herinner me dat ik toen heel boos was op de kiezer. Ik vond het echt verkeerd dat de mensen niet voor de groenen stemden. Ik ben toen gedurende een half jaar thuis geweest om voor mijn oudste dochter te zorgen. Dat was de juiste beslissing, want zo kon ik afstand nemen van de partij. Na een tijdje werd ik opgebeld door Velt, de vereniging voor ecologisch leven en tuinieren. De coördinator van Velt in die tijd kwam ook uit de Agalev-stal. Ik was niet echt op zoek naar werk, maar ben uiteindelijk toch op het jobaanbod ingegaan. Ik heb er in totaal tien jaar gewerkt, van 2004 en 2014.

© Jonas Fahy


Mijn overtuiging is langzaamaan veranderd. In 2008 kreeg ik mijn eerste twijfels. Hoe je het ook formuleert, het kwam neer op het vertellen aan mensen wat ze wel en niet mogen doen. Het ging over diverse dingen zoals yoghurt in potjes, soorten cosmetica, etc. Heel concreet doet Velt ook aan tuinadvies. Zo geven ze adviezen over welke bestrijdingsmiddelen je al dan niet mag gebruiken. Daarbij maken ze een onderscheid tussen synthetische en natuurlijke bestrijdingsmiddelen. Ze trappen daarbij in de ‘naturalistic fallacy’ (de naturalistische drogreden) door te focussen op de herkomst van het middel, in plaats van de toxiciteit. Zo kwamen er stilaan kleine barstjes in mijn overtuiging. Voorlopig bleef het bij bedenkingen op de aanpak, er was geen sprake van grote conflicten. Ik hield die bedenkingen voorlopig voor mezelf.

In mijn eigen leven probeerde ik altijd alles zo ecologisch mogelijk te doen. Vijftien jaar lang was ik vegetariër. In 2005 kregen we een dochter met downsyndroom. Ik probeerde altijd heel zuinig te zijn op alles, maar zij zette de kraan voortdurend open, trok het toilet wel tien keer door, enzoverder. Alle kleuters hebben wel een fase dat ze dat soort gedrag vertonen, maar bij onze dochter duurde dat heel erg lang. Die spaarzaamheidsmoraal die ik had kon ik haar niet aanleren. Als donkergroene was het voor mij lastig om daar mee om te gaan. Omwille van haar zwakke longen kochten we een wagen, want we konden echt niet met haar in de regen op de bus wachten. Ik hoor weleens dat ik vroeger een fanaticus was, en dat verwijt is eigenlijk wel terecht. Dankzij mijn dochter heb ik geleerd om dat fanatieke achter mij te laten. Het feit dat ze zoveel gezondheidsproblemen had heeft me ook doen inzien dat er in het leven meer was dan mijn ecologische obsessie. Groen zijn in je privéleven is één ding, maar als je dan ook nog de hele dag professioneel actief bent in een ecologische vereniging, wordt het wat veel. Ik had op een bepaald moment echt wel nood om aan mijn ecologische obsessie te ontsnappen.

Het tweede grote kantelpunt voor mij was de vernieling van de aardappelveldproef in Wetteren, in 2011. Door wat er daar gebeurd is, ging ik echt discussies aan op het werk. De directeur van Velt stond erop de activisten te steunen. Ik was het daar niet mee eens. Men heeft mij toen beloofd dat er intern een discussie ging komen over genetisch gewijzigde organismen (GGO’s), maar die is er nooit gekomen. Vooraf had ik de mening van collega’s die gespecialiseerd waren in het GGO-dossier altijd gevolgd. Ik heb die standpunten ook mee verspreid toen ik werkzaam was bij Agalev. Bij Velt heb ik in 2009 nog meegewerkt aan een anti-GGO campagne. Toen die gewelddadige actie plaatsvond had ik de bedenking: is dit het nu waard? Is dit het dossier waarvoor we geweld moeten gebruiken? Vervolgens ben ik met de wetenschappers van de veldproef gaan spreken.  Ik merkte dat die wetenschappers ook heel sociaal bewogen waren. Ze hebben helemaal geen kapitalistische drijfveren en willen, net als wij, de wereld verbeteren.

Ik ben toch tot 2014 bij Velt blijven werken. Ik had er vast werk en was er hoofdredacteur, dat hield me daar. Ik ben er uiteindelijk weggegaan omdat mijn geweten niet toeliet er nog langer te blijven. Ik koesterde lang de hoop dat ik intern iets ging kunnen veranderen. Over de GGO-kwestie botste ik echt op een muur, daar was geen discussie over mogelijk. Het was voor mij duidelijk dat het een ideologische stellinginname betrof, en geen weloverwogen, op wetenschappelijke inzichten gebaseerd standpunt. Ik ben blij dat ik uiteindelijk de stap gezet heb en vertrokken ben.

Ben je nu in je persoonlijke levensstijl veel minder bezig met ecologie dan vroeger?

Ik ga er veel pragmatischer mee om dan vroeger. Vroeger kocht ik alles biologisch, maar nu ben ik er niet meer van overtuigd dat je er beter mee af bent dan met niet biologische producten. Bovendien zijn biologische producten vaak een pak duurder. Het is een complex verhaal: het hangt echt van product tot product af of je er goed aan doet de biologisch geteelde variant te kopen. Ik ben wel nog steeds iemand die liever de fiets of het openbaar vervoer neemt dan de auto, terwijl we voor onze verbouwingen ook bewust voor ecologische materialen hebben gekozen. Daarnaast ben ik ook geen vegetariër meer, omdat ik merkte dat ik me beter voelde als ik af en toe vlees at. Iets wat ik mensen uit de traditionele groene beweging verwijt is de hypocrisie. Velen verkondigen wat de mensen moeten eten en wat ze wel of niet mogen doen, terwijl ze zelf een grote ecologische voetafdruk hebben.

Het ecomodernisme zet sterk in op technologie. Is er daarnaast geen maatschappelijk-economische verandering nodig?

De ecomodernisten staan ook echt wel voor maatschappelijke verandering. Als het gaat over ontwikkelingslanden bijvoorbeeld, kiezen de ecomodernisten duidelijk om het Zuiden te laten ontwikkelen door economische groei te stimuleren. Door pakweg een Indiër een zonnepaneel te geven, waarmee hij gedurende een gedeelte van de dag koffie kan zetten, ga die groei niet bewerkstelligen. De mensen daar moeten over goedkope stroom kunnen beschikken, 24 uur per dag. Wil je echte economische ontwikkeling in de Derde Wereld, dan moet je er mee leven dat het een industriële ontwikkeling zal zijn. We moeten afstappen van het paternalistisch idee dat ze in het Zuiden wel zonnepanelen mogen gebruiken, maar geen nucleaire energie. Wanneer landen een economische ontwikkeling doormaken, zie je ook dat het geboortecijfer omlaag gaat. Tijdens de laatste klimaatconferentie kon je het weer lezen: “de olifant in de kamer, met name de overbevolking, wordt niet aangepakt. Ik word een beetje kregelig als men over overbevolking spreekt. Economische ontwikkeling zorgt sowieso voor een afremming van de bevolkingsgroei, maar het hoofddoel is natuurlijk dat mensen uit de armoede worden getild.

Eeuwige groei op een eindige planeet, is dat mogelijk?

Ik denk dat dit mogelijk is dankzij het onbegrensd menselijk vernuft. Onze planeet is natuurlijk wel begrensd. Op is op. Ik maak me ook zorgen over de uitputting van bepaalde grondstoffen, zoals onze fosforvoorraden. Het is natuurlijk wel zo dat er substitutie kan gebeuren. Tijdens de industriële revolutie zijn we overgeschakeld van biomassa op steenkool als energiebron. Dat ging gepaard met milieuproblemen, maar tegelijkertijd is er zo wel heel wat bos gespaard. Dat is ook één van de kerngedachten van het ecomodernisme: technologieën zorgen voor trade-offs, maar we moeten gewoon nuchter de voor- en nadelen met elkaar afwegen.

Gaat het niet eerder over de vraag of wij hier in het Westen wel twee koelkasten per gezin nodig hebben, of twee wagens? Hoeveel is genoeg?

Dat is een heel mooi verhaaltje waar ik ook jarenlang in geloofd heb. Persoonlijk ben ik van mening dat dit fel overdreven wordt.  Ik vind het vreemd om steeds te horen dat wij overconsumeren. Er zijn ook veel mensen hier bij ons die graag wat meer zouden willen uitgeven, maar dat niet kunnen omdat ze het financieel moeilijk hebben. Er is een financiële crisis geweest die voor veel mensen een negatieve impact heeft gehad. Bij die mensen moet je niet afkomen met het verhaal dat ze het met minder moeten doen. Ik heb wel problemen met buitensporige consumptie, zoals je ziet bij sommige vedetten en voetballers. Daarnaast zijn er gunstige tendensen bij de consument die spontaan ontstaan. Zo is het gemiddeld watergebruik gedaald, net als de vleesconsumptie.

Onze veel te hoge ecologische voetafdruk geeft toch aan dat we serieus boven onze stand leven?

Ontkoppeling, waarbij economische ontwikkeling loskomt van milieudruk, zorgt ervoor dat er terug ruimte vrijkomt. Ecomodernisten zijn het er met traditioneel groen over eens dat we moeten evolueren naar een systeem dat duurzaam is. De ecomodernisten willen alle mogelijke technologische oplossingen die naar dat doel kunnen leiden omarmen, terwijl klassieke ecologisten a priori bepaalde technologieën uitsluiten.  De oplossingsruimte van traditioneel groen wordt op die manier veel kleiner. Zo laat je een aantal interessante mogelijkheden om tot een duurzame wereld te komen liggen. Kernenergie is daarvan een goed voorbeeld. Volgens de groenen moeten we ons beperken tot hernieuwbare energie. Door kernenergie opzij te schuiven wordt het veel moeilijker om zonder fossiele energie aan de elektriciteitsvraag te voldoen.

De keuze van de federale regering om de kerncentrales tien jaar langer open te houden zorgt er toch net voor dat de sector van de hernieuwbare energie kansen wordt ontnomen?

We zitten nu een stroomoverschot, maar dat zal niet zo blijven. Na 2017 zullen we die stroom wellicht wel nodig hebben, uitgaande van de economische groei en omdat er een aantal andere centrales zullen sluiten. Ik vind dat we in de eerste plaats de steenkoolcentrales moeten sluiten. Daarnaast ben ik een koele minnaar van biomassa. Slechts 10% van biomassa bestemd voor energieopwekking kan duurzaam geproduceerd worden.

Je kan daarvoor toch allerlei reststromen gebruiken, bijvoorbeeld van de landbouw?

Als je dat doet, neem je eigenlijk voeding weg van je land. Ik heb mijn bedenkingen bij het potentieel van biomassa. Daarmee wil ik niet zeggen dat we het onderzoek daarnaar moeten stoppen. Een ander verhaal is wat we in Duitsland zien. Ze produceren daar na hun ‘Energiewende’ wel veel groene stroom, maar biomassa maakt daar een heel groot aandeel van uit. Het publiek heeft de neiging het aandeel van zonne- en windenergie te overschatten.

Er is toch een studie die aangeeft dat we tegen 2050 in Vlaanderen 100% hernieuwbare energie kunnen halen?

Ze vergaten er wel bij te zeggen dat het een louter theoretische oefening betreft. Er wordt in de studie ook uitgegaan van technologische vooruitgang waarover veel onzekerheid bestaat. Zo werd er verondersteld dat de opslag van energie veel beter zal worden, maar als we het zonder fossiele brandstoffen willen doen met de middelen en technologieën die we nu voorhanden hebben, zullen we zeker kernenergie nodig hebben.

© JV


Een windmolen kan je gemakkelijk cofinancieren met kennissen in je buurt. Voor kernenergie heb je een monopolie nodig.

Het verhaal van 100% hernieuwbare energie is heel aantrekkelijk, terwijl kernenergie een beetje tegen een negatief imago opbokst. Dat heeft voor een stuk te maken met de machtsconcentratie bij bedrijven zoals Electrabel. Er zijn een hele reeks nieuwe technologieën in ontwikkeling die een heel andere aard hebben. Sommige daarvan zijn bijvoorbeeld kleinschaliger en door de verbeterde technologie ook nog veel veiliger. Ik hoop dat de mensen daarmee wel overtuigd zullen geraken. De sector van de kernenergie heeft nu echt wel de taak om de harten van de mensen terug voor zich te winnen. Het is trouwens niet omdat ik voorstander ben van kernenergie, dat ik automatisch ook voor het langer openhouden van Doel en Tihange pleit. Een traditionele ecologist neemt een “kernenergie-no way” houding aan, terwijl een ecomodernist kernenergie zeker ziet zitten op plaatsen waar dat nuttig is. Misschien wel het basisprincipe van het ecomodernisme is het niet a priori-uitsluiten van technologieën.

De grondstof voor kernenergie is hier niet voorhanden en kan na verloop van tijd schaars worden, terwijl je aan het einde van de keten bovendien nog met het nucleair afval zit. Dit kan je toch bezwaarlijk duurzaam noemen?

Van het uranium dat nu als grondstof dient, wordt slechts 8% effectief gebruikt. Wat we nu nucleair afval noemen, is eigenlijk uranium dat nog voor ruim 90% bruikbaar is. In de kerncentrales van de toekomst kan dat afval gebruikt worden als grondstof. In feite is kernafval niet zo’n groot probleem, zo lang het ergens veilig ligt opgeslagen. Je hoeft het niet eens onder de grond te stoppen, bovengrondse opslag is ook perfect veilig. We doen altijd heel paniekerig als het over kernafval gaat, terwijl chemisch afval beslist ook niet zo onschuldig is. Als er een incident is in het niet-nucleaire gedeelte van een kerncentrale, dan is het de dag erop voorpaginanieuws. Als er iets gelijkaardig zou gebeuren in een chemische fabriek, dan haalt dat de voorpagina’s niet. De mensen denken natuurlijk meteen aan Tsjernobyl en Fukushima, maar die rampen vielen uiteindelijk ook heel erg mee. De mensen zijn enorm bang gemaakt voor kernenergie, terwijl er heel wat veilige en schonere vormen van kernenergie op komst zijn, denk maar aan kernfusie en thoriumreactoren.

De ecomodernisten kiezen resoluut voor intensieve landbouw, maar daar gaan toch heel wat milieuproblemen mee gepaard?

De technologische vooruitgang staat niet stil, ook in de landbouw. Denk maar aan precisielandbouw, waarbij technieken toelaten om net de juiste hoeveelheid bemesting of bestrijdingsmiddel toe te dienen afhankelijk van plant tot plant. In de toekomst zullen daarvoor ook drones worden ingezet. Wie weet waar we staan over tien, vijftien jaar. Wat mij betreft moet er niet overal aan intensieve landbouw worden gedaan. Er zijn heel wat interessante landbouwtechnieken die hun oorsprong vonden in de biologische landbouw, de bestrijding van plagen met natuurlijke vijanden bijvoorbeeld. Volgens mij is er een mooie synergie mogelijk tussen biolandbouw en biotechnologie. Mijn droom voor de landbouw van de toekomst is dat de beste technieken van de biolandbouw met die van de intensieve landbouw worden gecombineerd om tot een zo duurzaam mogelijke voedselproductie te komen.  Als je als bioboer gebruik kan maken van de beste gewassen, die op zichzelf al resistent zijn tegen bepaalde plagen, dan ga je er toch voor? Waarom zou je die veelbelovende technologie laten liggen? Ik hoop dat er in Vlaanderen toch één bioboer is die er zo over denkt, zodat anderen kunnen volgen. 

Bij intensieve landbouw denken we vooral aan grote lappen grond in de Verenigde Staten. Bij ons is de situatie anders. Wat wij hier intensieve landbouw noemen, noemen ze in Amerika kleinschalig. Het basisidee over landbouw in het ecomodernistisch manifest is dat intensieve landbouw er voor zorgt dat je op een andere plaats de ruimte kan sparen. Als je alles biologisch wil doen, dan zal je wellicht het vlees van je menu moeten schrappen. Ik ben zelf niet tegen vleesmatiging, maar ik zou er absoluut geen punt van willen maken om iedereen te doen overschakelen op het vegetarisme. Ik ben gestopt met zeggen wat andere mensen moeten doen (lacht). Onderzoek toont aan dat de biodiversiteit op biobedrijven groter is dan op conventionele landbouwbedrijven, maar de opbrengst is wel een pak lager, waardoor het landgebruik hoger is. Als je kiest voor intensieve landbouw, dan kan je de uitgespaarde grond met rust laten, waardoor de biodiversiteit in die ‘wildernis’ nog veel groter zal zijn. Het idee is dat je die biodiverse hotspots actief beschermt, en op andere plaatsen voor intensieve landbouw kiest.

De landbouw in Vlaanderen is exportgericht. Zo wordt er veel vlees geproduceerd voor buitenlandse markten. Kunnen we het schaarse land dat we ter beschikking hebben niet beter gebruiken voor korteketenlandbouw?

Ik ben ervan overtuigd dat ons voedselsysteem op wereldhandel moet gebaseerd zijn. Als er ergens een misoogst is, kan je jouw voedsel ergens anders aankopen. Groene fanatiekelingen willen ons enkel lokale seizoensproducten doen eten, maar als de oogst tegenvalt, moeten we dan vergaan van de honger? Als we hier in Vlaanderen op een zeer intensieve manier efficiënt vlees kunnen produceren, is dat een goede zaak, want er is sowieso vraag naar dat vlees en elders zou men het wellicht produceren met een grotere milieu-impact. Bovendien zal de dierlijke productie in de toekomst nog efficiënter worden. Versta me niet verkeerd, ik vind niet dat we heel Vlaanderen moeten opofferen voor intensieve landbouw, er moet zeker plaats zijn voor natuur. Wat ik een grotere bedreiging voor de natuur vind dan de landbouw, is het tempo waarmee we de open ruimte volbouwen. De ruimtelijke ordening in Vlaanderen is een ramp. Op dat vlak blijf ik een traditionele groene. We moeten inzetten op duurzame steden en de open ruimte daarrond vrijwaren.

© David De Pue


Als we de gronden rond Gent die nu voor intensieve veeteelt worden ingezet zouden omvormen tot land voor korteketenlandbouw, zouden we dan niet aan voldoende voedsel geraken?

Als je een dictatuur zou installeren, die mensen zegt wat ze mogen eten en wanneer ze dat mogen eten, dan zou dat heel misschien wel lukken. Dat vat mijn visie daarop samen (lacht). Ik geloof niet in dergelijke dromen. Je kan dat misschien theoretisch onderzoeken, maar ik geloof niet dat je dat in de praktijk kan brengen. Ik vind het goed dat er zulke stadslandbouwprojecten bestaan, maar ze tonen wel aan hoe beperkt de mogelijkheden ervan zijn. Ik was ooit betrokken bij volkstuinen in het Rabot, die door Velt werden opgevolgd. Er werd een feest gegeven en de mensen uit de buurt kwamen eten van de oogst. De conclusie die werd gemaakt is dat de buurtbewoners konden gevoed worden met de opbrengst van die volkstuinen. Ik had onmiddellijk de bedenking: “voor hoeveel dagen en hoeveel volk”? Die projecten bevorderen de sociale cohesie te bevorderen en hebben educatieve waarde, maar de stad zullen ze niet kunnen voeden.

Het is toch goed dat mensen dergelijke dromen koesteren?

Ik heb ook nog dromen, maar ik wil niet meer in de val van de naïviteit trappen. Ik heb in mijn tijd bij de groene beweging veel te veel naïeve mensen gezien. Ik heb mensen ontmoet die me vertelden dat alles wat ze aten van de CSA (community supported agriculture) kwam. Ze vergeten dat zoveel van wat ze naar binnen spelen niet van die CSA komt. Denk maar aan chocolade, koffie, bier, brood, etc. Veel projecten rond stadslandbouw gaan heel enthousiast van start, maar houden er ook snel mee op, omdat het niet winstgevend blijkt te zijn of omdat mensen moeten bekennen dat de fysieke arbeid te zwaar voor hen is. Ik zie mensen met veel engagement daaraan beginnen, maar zich na een paar jaar weer settelen in hun burgerlijk leventje. Ik vind dat het stadsbestuur de mensen een rad voor de ogen draait door zo hard te focussen op het korteketenverhaal. Ik zou het dan ook jammer vinden dat de stad buitensporig veel geld uitgeeft aan stadslandbouwprojecten die als voornaamste doel hebben het imago van de groene partij op te poetsen.

Wat vind je van andere realisaties van het stadsbestuur, zoals het mobiliteitsplan?

Ook rond mobiliteit ben ik een techno-optimist: ik denk dat we in de toekomst met een app op onze smartphone een zelfrijdende auto oproepen. Ik zie particulier autobezit daardoor op termijn verdwijnen. Bovendien zullen die zelfrijdende auto’s mogelijk op waterstof of elektriciteit rijden. Maar op korte termijn evolueren we inderdaad naar een situatie waarbij de stad meer en meer autoluw zal worden. In het begin is er steeds weerstand tegen dergelijke plannen, maar na tien jaar is men dat al lang vergeten.

Dirk Holemans, Gents gemeenteraadslid voor Groen en coördinator van de ecologische denktank Oikos, vermoedt dat ecomodernisten de bestaande machtsverhoudingen in stand willen houden. Hij noemt het ecomodernisme “de schaapsvacht van de big industrie”. Wat is daarvan aan?

Groenen houden er niet van als anderen een karikatuur van hen maken. Ik vind dat ze zichzelf daar ook niet aan mogen bezondigen. Volgens mij is de reactie van Holemans gewoon een poging om het ecomodernisme te demoniseren. Wij komen op het terrein van de traditionele groenen, we zijn als het ware concurrentie die zo snel mogelijk de kop in gedrukt moet worden. Als het ecomodernisme niet dood kan worden gezwegen, is het plan B om er een karikatuur van te maken. Hoe denken de groenen trouwens de gewenste maatschappelijke verandering te verkrijgen? Geloven ze in de revolutie? Als je de doelstellingen pas kan bereiken door de samenleving te ontwrichten, lijkt het me moeilijk daar een draagvlak voor te vinden. Ik sta niet zo negatief tegenover het kapitalisme. Mensen mogen gerust geld verdienen met goede vondsten. Het allerbelangrijkste voor mij is dat het ecomodernisme het humanisme terug verenigt met het ecologisme. Het zet de mens terug centraal, terwijl het donkergroen ecologisme de mens beschouwt als een soort die de natuur alleen maar schade toebrengt.

Je kan toch niet ontkennen dat wat de ecomodernisten verkondigen, bepaalde politieke partijen als muziek in te oren klinkt?

Ik wil het positief bekijken. Ik merk dat er bij de meeste partijen interesse is voor de ecomodernistische visie. Dit toont aan dat er, over de partijgrenzen heen, interesse is voor die vernieuwende ideeën. Ik heb contacten bij alle partijen, behalve bij Vlaams Belang. Mijn contacten bij Groen staan wel negatief ten opzichte van mijn ideeën. 

Zijn er dan geen mensen bij Groen die daar anders over denken?

Ik moet ze in ieder geval nog leren kennen. Mensen als Bart Staes en Dirk Holemans zijn ideologische hardliners die heel fel de partijlijn proberen te bewaken. Zij hebben nog steeds de macht in handen. Ik denk dat die generatie weg moet om een nieuwe wind te doen waaien. Ik zelf ben partijloos. Ik kan op eender welke partij schieten als ik dat nodig acht. Ik kan hen ook complimentjes geven als ik daar redenen toe heb. Groen reageert nogal vijandig ten opzichte van het ecomodernisme, en ik vraag me af of dat zo slim is. Iedereen vindt natuur en milieu belangrijk. Veel mensen haken echter wel af als je hen gaat vertellen wat ze al dan niet mogen doen om het milieu te sparen. Daarom vermoed ik dat het ecomodernisme veel meer mensen kan aanspreken dan het traditionele groene gedachtegoed. Groen gaat te veel uit van haar eigen gelijk, waardoor je nooit iedereen meekrijgt om stappen vooruit te zetten. Als je kijkt naar de groene beweging in Vlaanderen, valt op dat de eerste-generatie groenen nog steeds de touwtjes in handen hebben. Zo is Vera Dua de huidige voorzitter van Bond Beter Leefmilieu. Zelf heb ik vijftien jaar gezegd dat GGO’s slecht zijn. Dat is lang, maar ik had nog te ruimte om van gedacht te veranderen. Wat als je iemand bent die deze boodschap al meer dan veertig jaar verkondigt? Dan is het toch nog moeilijker om toe te geven dat je op bepaalde gebieden fout was? Het zou neerkomen op zeggen dat je jouw hele leven de verkeerde strijd hebt gevoerd.

Waarom staan de traditionele ecologisten steeds lijnrecht tegenover de ecomodernisten?

Het debat is inderdaad erg gepolariseerd. Eens je je aansluit bij een milieuvereniging, hel je nogal snel over naar de ene kant. Voor mij zou het een grote drempel zijn om me bijvoorbeeld bij Greenpeace aan te sluiten. Ze doen zeker goede dingen, maar hun weerstand tegen de GGO ‘golden rice’ (rijst verrijkt met bètacaroteen, nvdr) vind ik echt verwerpelijk. Van een organisatie die, al is het onrechtstreeks, veel kwaad aanricht kan ik geen lid zijn. Door zelf uit de ‘donkergroene’ hoek te stappen heb ik veel mensen ontmoet met een meer pragmatische visie. Wat ik niet had kunnen voorspellen is welke impact de publicatie van het ecomodernistisch manifest zou hebben (vorig jaar in april). Internationaal had ik al veel mensen ontdekt die op dezelfde manier dachten, maar ik dacht dat ik alleen was in Vlaanderen. Dan was er de biecht van Stijn Bruers, iemand uit de traditionele beweging die zich, althans op het gebied van GGO’s, tot het pragmatische kamp bekende. Ik vermoed dat hij daarvoor wel tegenkanting krijgt vanuit traditionele hoek.

© Emmelien Callewier

Ook binnen het ecomodernisme bestaan trouwens verschillende stromingen. De Finse ecomodernisten, bijvoorbeeld, hebben hun eigen manifest geschreven, los van het andere. Zij zijn van mening dat het Europees ecomodernisme een andere toon moet aanslaan. In Amerika is de context en de politieke situatie helemaal anders dan hier. De Finnen beschouwen de traditionele ecologisten als bondgenoten. Ze erkennen dat ze dezelfde objectieven hebben en over de meeste zaken zijn ze het eens. Waar ze wel problemen mee hebben, is dat een aantal standpunten binnen de groene beweging verboden lijken te zijn. Kernenergie bijvoorbeeld. James Hansen, een van de oorspronkelijke klokkenluiders op het gebied van klimaatverandering, is nu een pleitbezorger van kernenergie. Naomi Oreskes, de auteur van Merchants of Doubt, werpt hem voor de voeten dat hij daarmee een soort van ‘denialist’ (klimaatontkenner) geworden is. Oreskes ex-communiceert als het ware mensen die oprecht bezorgd zijn om klimaatverandering en daarvoor nucleaire energie als deel van de oplossing voor zien, puur omdat ze deze technologie verwerpt. Een van de objectieven van mijn website Backcover.be is die discussies, die hevig woeden in de Angelsaksische wereld, naar hier te brengen. Op dat vlak betekende het ecomodernistisch manifest echt een katalysator. Hier ben je ofwel donkergroen, ofwel niet groen. Dat is jammer. Er moet meer diversiteit zijn in het spectrum van het ecologisme. Dat is wat mij drijft. Ik hoop dat iedereen uit zijn ideologische loopgraven komt en met elkaar de dialoog aangaat.

Meer lezen?
Het ecomodernistisch manifest vind je hier: http://www.ecomodernism.org/nederlands/
De website BackCover: www.backcover.be
Kritiek op het ecomodernisme lees je onder andere hier:

woensdag 23 december 2015

Daafs Selectie 2015 - Tweede Jaarhelft

Naar goede gewoonte serveert Daafs Blog u in de donkere decembermaand een muzikaal overzicht van de bijna voorbije jaargang.  Wat volgt is een niet-limitatief overzicht van mijn persoonlijke favorieten, voorzien van overbodig commentaar.

Tame Impala – The Less I Know The Better
album ‘Currents’


Van het nieuwe album van Tame Impala, het Australische gezelschap rond Kevin Parker, onthoud ik vooral de heerlijk lang uitgesponnen psychedelische opener ‘Let It Happen’ en het funky ‘The Less I Know The Better’. Bij dit nummer hoort een markante clip/kortfilm die het verhaal van de song verbeeldt.  

Mac DeMarco – Another One
album ‘Another One’


Mac DeMarco haalt als enige artiest voor het tweede jaar op rij Daafs Selectie. Hij is er vast heel blij mee. Tussen het toeren door had hij een weekje vrijaf. Een zevental haastig bijeen gepende liefdesliedjes met de karakteristieke ‘laissez-faire’ flair, verzameld op een EP, zijn het resultaat.  Mac is zowaar verliefd en iedereen mag het weten. Voor de gelegenheid waagt hij zich zelfs aan de piano.

Kurt Vile –   Pretty Pimpin
album ‘B’lieve I’m Going Down…’


Kurt Vile komt uit dezelfde kringen als Adam Granduciel van The War On Drugs. Naast zijn kapsel heeft hij met hem ook gemeen dat hij gretig refereert  naar de backcatalogue van ‘dadrock’-helden als Tom Petty en Bruce Springsteen. Alleen komt er bij Vile minder Gravitas en meer humor bij kijken. Concerttip: 9 maart in de Handelsbeurs, Gent.

Chvrches – Leave A Trace
album ‘Every Open Eye’


Vroeger was ze on stage een bedeesd elfje die enkel in haar teksten gemeen uit de hoek kwam, maar tegenwoordig heeft Lauren Mayberry veel aan podiumpresence gewonnen. Ze liet zich dit jaar ook opmerken met haar rake reacties op misogyne internettrollen. Ik zag Chvrches in de AB de dag na de aanslagen in Parijs. Ze slaagden er met hun aanstekelijke elektropop in om de terreur te doen vergeten. Je kan je wel afvragen in hoeverre de twee techneuten die Mayberry flankeren echt ‘live’ spelen wanneer ze de knoppen bedienen. Het zijn vakmannen, daar niet van.

Julia Holter – Feel You
album ‘Have You In My Wilderness’


Enkele dagen na Chvrches durfde ook Julia Holter het aan op te treden in de AB, in het hartje van een belegerde hoofdstad. Ze liet het niet aan haar hart komen. Het werd een gezellige en intieme avond in de Club. Ze had uitstekende muzikanten meegebracht, waaronder een bekkentrekkende bassist en een schijnbaar gedrogeerde drummer. Ik heb de kans gemist haar te complimenteren na de show. De nieuwste plaat van de klassiekgeschoolde Californische is misschien wel de beste uit haar toch al indrukwekkende repertoire.  

Deafheaven – Baby Blue
album ‘New Bermuda’


Deafheaven is de band die voor mij de poort naar het rijk van de zware metalen definitief heeft opengezet. Het intussen twee jaar oude ‘Sunbather’ was voor een leek als ik toegankelijk omwille van de vleugen Shoegaze, een genre waar ik al geruime tijd bekend mee was. De grunts van ‘zanger’ George Clarke ben ik intussen gewend geraakt. Met ‘New Bermuda’ begeeft de band zich op zwarter terrein, hoewel het in ‘Baby Blue’ meer dan drie minuten duurt voor de hel daadwerkelijk losbarst. Moeilijk om het hoofd stil te houden als het uiteindelijk zo ver is. Bij de klassieke metalsolo in het midden van de song waan ik mij een Guitar Hero, al produceer ik niet veel klank met mijn luchtgitaarspel. In maart komt Deafheaven naar Brussel. Dat wordt ongetwijfeld spannend. 

Joanna Newsom – Divers
album ‘Divers’


Voor Iebe is ze een ‘Disneyheks’, ik vind ze de meest getalenteerde singer-songwriter van haar generatie. Meningen kunnen verschillen. Haar album ‘Ys’ behoort tot het mooiste wat mij ooit ten ore kwam, maar ook wat ze daarna uitbracht is hors catégorie. Haar klankenpalet is er in de jaren alleen maar rijker op geworden. Als je ervan uitgaat dat je Newsom met anderen kan vergelijken, dan deed haar vorige plaat bij momenten aan Joni Mitchell denken, terwijl de nieuwste meer naar Kate Bush neigt. Ze komt volgend jaar naar de Bozar, waar ik me gewillig zal laten betoveren.

Chromatics – Girls Just Wanna Have Some


Johnny Jewel gaf in 2015 maar liefst vier songs van het nakende album ‘Dear Tommy’ vrij. Stuk voor stuk pareltjes. Jammer genoeg wachten we nog steeds op de release. Om de pijn te verzachten kregen de fans als toemaatje ook nog eens zeven versies van ‘Girls Just Wanna Have Fun’, de eighties hit van Cyndi Lauper. Net als eerdere covers van ‘Ceremony’ (New Order), ‘Running Up That Hill’ (Kate Bush) en ‘Into The Black’ (Neil Young) een geslaagde remake. Van de stem van Ruth Radelet krijg ik het tegelijkertijd warm en koud. 

Grimes – REALiTi
album ‘Art Angels’


Avant garde verpakt als mainstreampop, of omgekeerd. De Canadese Claire Boucher (aka Grimes) valt moeilijk in een vakje te plaatsen. ‘Art Angels’ is in ieder geval haar grote sprong voorwaarts, als zangeres, songschrijver en producer. Als je het album beluistert kan je bijna niet geloven dat Boucher het zo goed als alleen heeft ingeblikt. Geen gesneden koek voor de grote massa, daarvoor is Grimes wellicht iets te apart. Er staat nochtans veel hitpotentieel op de plaat, naast een aantal echte danstracks.    

donderdag 17 december 2015

Daafs Selectie 2015 - Eerste Jaarhelft

Naar goede gewoonte serveert Daafs Blog u in de donkere decembermaand een muzikaal overzicht van de bijna voorbije jaargang. Wat volgt is een niet-limitatief overzicht van mijn persoonlijke favorieten, voorzien van overbodig commentaar.

Natalie Prass – Bird of Prey
album ‘Natalie Prass’


De eerste voltreffer van het jaar staat op naam van Natalie Prass, die eind januari haar debuutalbum uitbracht. Een verzameling kleurrijke kamerpopnummers waarin haar fijne stem vakkundig wordt gedragen door  gulle strijkers en blazers. 

Ibeyi – Stranger/Lover
album ‘Ibeyi’


De tweelingzusjes Lisa-Kaindé en Naomi Diaz hebben alvast hun afkomst mee. Als dochters van de overleden Cubaanse percussionist Anga Diaz, werkzaam bij onder andere Buena Vista Social Club, en de Frans-Venezolaanse zangeres Maya Dagnino, stroomt er muzikaal bloed door hun aderen. Hun gemengde komaf sijpelt door in hun muziek. Ze hebben de Frans-Cubaanse dubbelnationaliteit en zingen naast in het Engels en het Frans ook in het Yoruba, de West-Afrikaanse taal van hun paternale voorvaders. 


Kendrick Lamar – King Kunta
album ‘To Pimp A Butterfly’ 



Het tweede jaar op rij zonder Kanye West-albumrelease, maar dat is allerminst een reden tot wanhopen. De leemte is opgevuld door Kendrick Lamar, de nieuwe ongekroonde koning van de hip hop. Na zijn eerste worp  ‘Good Kid, M.A.A.D. City’ was hij al een serieuze troonpretendent, maar dankzij het genre overstijgende  ‘To Pimp A Butterfly’ is het gat helemaal dichtgereden. Met ‘Alright’, ‘King Kunta’ en ‘I’ staan er op zijn minst drie wereldsongs op. Bovendien hangt er een heerlijk jazzy sausje over het geheel. Better than Yeezus. 

Laura Marling – False Hope
album ‘Short Movie’



Haar hoge productiviteit garandeert dat we minstens om de twee jaar op kwaliteitsvol werk van Laura Marling worden getrakteerd. Er zijn wel een aantal dingen veranderd sinds ze naar de Amerikaanse Westkust is verhuisd. Om te beginnen is haar blond engelenhaar gekortwiekt. Daarnaast lijkt ze de Engelse folk definitief vaarwel te hebben gezegd en doet ze het voortaan grotendeels elektrisch.  Het resultaat mag er zijn, maar het topniveau van het twee jaar oude ‘Once I Was An Eagle’ wordt met ‘Short Movie’ niet geëvenaard. Iemand als Laura Marling legt de lat hoog met haar werk, niet in het minst voor zichzelf. 

The Staves – Make It Holy
album ‘If I Was’


Met hun hemelse samenzang en voortreffelijke voorkomen zijn Jessica, Camilla en Emily Staveley-Taylor een lust voor oog en oor. Wat mij betreft de ontdekking van het jaar. Hun tweede plaat werd in Wisconsin opgenomen, onder auspiciën van Justin Vernon (Bon Iver). Ik hoop ooit een concert in intieme setting te mogen meepikken (AB Club?), voor ze waanzinnig beroemd worden. 

Sufjan Stevens  - Should Have Known Better
album ‘Carrie & Lowell’


Vroeg of laat worden we allemaal geconfronteerd met de dood van dierbaren, voor we er zelf het loodje bij neerleggen. De dood is omnipresent in onze levens, maar naar verhouding is het een onderbelicht thema in de popmuziek. Naast ‘Funeral’ van Arcade Fire en ‘Electro-shock Blues’ van Eels is er nu ook ‘Carrie & Lowell’ bijgekomen in mijn collectie. In zijn meest persoonlijke album tot nog toe staat Stevens stil bij het overlijden van zijn moeder, wat meteen een uitstekende gelegenheid is om ook zijn chaotische jeugd in herinnering te brengen. Er spreekt meer uit deze plaat dan enkel treurnis. De single ‘Should Have Known Better’ laat positieve noten horen vanaf halverwege de song. ‘Carrie & Lowell’ is evenveel Carpe Diem als Memento Mori.

Lower Dens - Ondine
album 'Escape From Evil'


De sound van Lower Dens roept herinneringen op aan de jaren tachtig, terwijl de stem van Jana Hunter doet denken aan die van Victoria Legrand van Beach House. Beide bands zijn in Baltimore gevestigd. Dit ‘Ondine’ is het hoogtepunt van hun nieuwe album. Een elegie van een moeilijke liefde.
  
Tallest Man On Earth – Dark Bird Is Home
album ‘Dark Bird Is Home’


Het lief van Kristian Matsson is er onverhoeds vandoor gegaan, wat de nodige hartzeer veroorzaakt bij de Zweedse troubadour die zich met zijn artiestennaam groter acht dan hij werkelijk is. Aan break-upliedjes geen gebrek, maar deze doet het echt wel voor mij. “No this is not the end and no final tears, that we need to show. I thought that this would last for a million years, but I need to go”. Slik. Je kan je perfect voorstellen hoe hij zich voelt.  Gelukkig ondersteunt de band de eenzame zanger op het einde van het lied, in een coda die ook live in de AB een diepe indruk op me naliet.  

Jamie XX – Loud Places
album ‘In Colour’


Jammer genoeg ben ik er niet in geslaagd aan tickets te raken voor Jamie XX in Brussel. Ik vermoed dat het een fijn feestje was die avond in oktober.  De man die zich bij The XX opvallend op de achtergrond houdt is nu met eigen werk naar buiten gekomen, en dat werk mag er zeker zijn. In Loud Places doet hij het met zangeres Romy van The XX, maar de karakteristieke somberte van die band laat hij achterwege. Op ‘In Colour’ wordt intimistische House afgewisseld met euforische floorfillers. 

zondag 27 september 2015

Schone lucht

De wekker om tien voor zeven. Ik word abrupt uit het rijk van de slaap weggerukt, als de verdrijving uit het paradijs. Ik kom met weinig woorden het ontbijt door en haast me naar het perron. Ongeacht hoe hard ik me haast kom ik er elke dag tien minuten te vroeg aan. Op dat perron en in de trein zie ik steeds dezelfde gezichten. Je ziet ze soms in het weekend, op momenten dat er veel meer leven in hun gezicht te lezen is dan nu. Vandaag zijn we allemaal werkvee. Pendelende zombies, elk in onze eigen cocon waaruit het ’s morgens zo moeilijk te breken is. Op dagen zonder vertraging kom ik na een rit van 41 minuten toe in het station van Antwerpen-Zuid. Van zodra de trein de tunnel onder de Schelde induikt ga ik me aan de deur gaan stellen. De juiste positie is de helft van het werk. In feite begint het al bij de keuze van de wagon in Gent-Dampoort. Ver achteraan in de trein maar ook niet te ver, zodat je op het perron van Antwerpen-Zuid als eerste de trap naar boven kan aanvatten. Een goede conditie is een basisvereiste om in de voorhoede boven te komen. Een blik op de stand van de verkeerslichten en het aantal beschikbare fietsjes is noodzakelijk om in een oogwenk te beslissen naar welk velostation te gaan: dat aan deze kant of de overkant van de drukke baan. Gezien het doorgaans ontoereikende aanbod van deelfietsen is de race nog niet beslist. Het leven is een strijd, die door sommigen hier over de rand van het fatsoen en de verkeerscode wordt uitgevochten. Eenmaal over een fietsje beschikkend gaat het in zeven haasten naar de Kronenburgstraat, als een volleerde Flandrien over de kasseien aan het KMSKA dokkerend. Ingeprikt met een scherpe tijd, de werkdag is met succes ingezet.



Vier maanden lang heb ik mijn stoel warm gehouden op de universiteit voor ik er de brui aangaf. De winter was geen winter toen, maar een donkere, diffuse en vorstvrije overgang tussen herfst en lente. Al die tijd had ik mezelf wijsgemaakt dat ik er niet op mijn plaats zat. Er was het idee dat ik er niet in slaagde het aan mij opgelegde onderzoeksonderwerp tot dat van mezelf te maken. Er was het gevoel dat doctoreren niet besteed is aan mensen met uitwaaierende gedachten zoals ik. Mijn promotor en collega’s waren al aan het eind van mijn eerste week op de unief op de hoogte van mijn twijfels. Begin maart nam ik effectief ontslag. Toen ik de deur van het bureau definitief achter me dichttrok en wat later in de gang twee collega’s kruiste, merkten ze dat ik streed tegen de tranen. Alweer een mooie kans verkloot.

Het was moeilijk op het werk te zwijgen over mijn hernieuwde academische ambities. Tot ik effectief nieuws ontving over mijn persoonlijke beurs hield ik de lippen stijf op elkaar.  Het verraad valt me zwaar. Ik word niet vervangen, waardoor de werkdruk in het team substantieel zal toenemen. Er werd ook veel geïnvesteerd in mijn opleiding. Ik denk dankbaar terug aan de vele uren dat ik met Kenny en Marc op de baan was voor mijn scholing als vervangend monsternemer. Het waren misschien wel de mooiste dagen van mijn tijd bij de Vlaamse Milieumaatschappij. Werken aan een schone lucht in Vlaanderen, op zich zou dat voldoende moeten zijn als motivatie voor mijn job. Helaas kreeg ik de indruk dat mijn bijdrage aan dat nobel doel eerder beperkt is vanuit mijn huidig takenpakket. Bovendien deed ik snel inspiratie op voor een eigen onderzoeksproject, dat over de beleidsaanpak van ammoniakdeposities op natuurgebieden zal gaan. Toch werk ik graag op de Dienst Lucht, en dat heeft voor het leeuwendeel te maken met de leuke werksfeer en de fantastische collega’s. Mijn maanden op de negende verdieping, op de bureau bij Danny en Jordy, zullen me altijd bijblijven. Ik heb er geleerd dat schone lucht meer is dan immissieconcentraties onder de Europese grenswaarde of een minimaal aantal overschrijdingsdagen van de fijnstofnorm. Ik leerde er kijken naar wisselende wolkenformaties, de kleurrijke verstrooiing van licht en de razendsnelle ontwikkeling van onweersbuien. Daarnaast had ik er bijzonder fijne en intellectueel prikkelende conversaties over de economische en ecologische crisis, maar evengoed over de zin en onzin van religie en de absurditeit van het bestaan. 



Mijn verhuis van de negende naar de vijfde verdieping, naar een bureau waar ik de enige man ben in een gezelschap van vijf, voelde aanvankelijk aan als een verbanning. Het zicht op de Antwerpse skyline is er namelijk een pak minder spectaculair. Toch voelde ik me ook daar snel thuis, opnieuw omringd door heel aangename mensen. Het dominante gespreksonderwerp was niet meer de toestand van de wereld, maar de persoonlijke levenssfeer en het spanningsveld tussen werk en gezin. Het plotse overlijden van de zus van een bureaugenoot maakte diepe indruk bij ieder van ons. Bij een confrontatie met dergelijke gebeurtenissen kan je niet anders dan je persoonlijke muizenissen relativeren.

In maart mocht ik met een aantal collega’s  naar de VMM-vestiging in Aalst om er de cursus ‘Persoonlijke effectiviteit’ te gaan volgen. Op dergelijke cursussen word je, na invullen van een vragenlijst, in het hokje van een MBTI-type geduwd. Dat soort psychometrische testen heeft uiteraard een grote apekoolfactor. Het idee van MBTI is dat de hele wereldbevolking in 16 persoonlijkheidstypen valt onder te verdelen. Het resultaat van de test was voor mezelf niettemin behoorlijk confronterend. De lesgeefster durfde het aan om mij voor de hele groep een ‘softie’ te noemen. Bovendien vond ze het nodig me te vragen of ik me een buitenbeentje voel. Ik voel me goed, dank u! Blijkbaar scoor ik op de vier indicatoren van de test telkens tegengesteld aan wat de maatschappij als norm stelt. Ik kreeg de stempel ‘INFP’: ik ben veeleer introvert, heb een intuïtieve ingesteldheid bij het vergaren van informatie, laat gevoelens meedingen bij beslissingen en ga eerder ongepland en ongestructureerd door het leven. Het griezelige is dat mijn neiging om alles in twijfel te trekken en mezelf te saboteren voor een stuk kan worden verklaard vanuit mijn MBTI-type. Ik weet waaraan ik moet werken. Als ik terug op de universiteit werk zal het een kwestie zijn het gevoel dat ik er niet thuis hoor te vervangen door de nuchtere vaststelling dat ik er wel op mijn plaats ben. Vanuit MBTI-perspectief is dat een kleine stap: ik balanceer op de rand tussen thinking en feeling, het moet mogelijk zijn om op cruciale momenten naar de rationale kant van het spectrum over te stappen.

Toen ik vernam dat ik met een persoonlijke beurs opnieuw kon gaan doctoreren was ik toevallig net het boekje ‘How to find fulfilling work’ van The School of Life aan het lezen. Daarin worden kanttekeningen geplaatst bij de wetenschappelijke waarde van de MBTI-typologie. Daarnaast staat er een recept in voor de ideale job. Niet het geld dat je er mee verdient of de status die je met je job krijgt zijn belangrijk, maar de intrinsieke motivatie. Om die te optimaliseren moet je een functie hebben die jouw waarden reflecteert, waarin je jouw passies kwijt kan en waarvoor je jouw talenten moet aanspreken. Ik ben ervan overtuigd dat ik me op dat front zal verbeteren wanneer ik van werk wissel in november. Een wereld waarin iedereen volgens bovenstaande criteria het ideale werk uitoefent bestaat helaas niet. Iedereen naar een perfecte job leiden is een allocatieprobleem waarvoor geen oplossing bestaat. Het aantal gevallen van burn-out en bore-out ligt schrikwekkend hoog. Teveel mensen hebben het gevoel dat wat ze doen op het werk weinig zinvol is. Vandaar dat ik geloof in een transitie naar een 30-urenweek of de invoering van een onvoorwaardelijk basisinkomen. Zo wordt onbetaald werk, zoals het opvoeden van kinderen of de mantelzorg voor ouderen, naar waarde geschat. Zo krijgen mensen met een niet-ideale job de kans om hun talenten te gebruiken en hun passies te bevredigen in hun vrije tijd.



Ik heb er dankzij mijn huidige job een nieuwe vriendin bij gekregen. Ze is flamboyant en zelfverzekerd. Ze woont aan een bocht in de stroom en heeft tonnen vol flair. Nu ik niet meer dagelijks naar haar toe zal komen met de trein zal ik ze van tijd tot tijd een bezoekje moeten brengen om onze vriendschap te onderhouden. Daarnaast heb ik veel mensen leren kennen waarvan ik hoop dat ik ze nog terug zal zien. Ik denk hierbij aan de collega’s van de Gentse connectie, waarmee ik zo vaak gezellige gesprekken heb gevoerd op de terugrit met de trein, maar evengoed aan de andere wolkenmeters van de Dienst Lucht. Ik hoop dat ik met mijn vertrek geen bruggen heb verbrand achter me. Ik voel me nog niet klaar om me voor de rest van mijn carrière toe te wijden aan de race tegen de prikklok en kijk ernaar uit de komende vier jaar terug een leven van studie te leiden. In november zal ik op exact dezelfde bureau gaan zitten als deze die ik anderhalf jaar geleden achterliet. Een unieke kans om een fout uit het verleden recht te zetten. Stoppen op de universiteit was een vergissing, maar mijn huidig werk heeft me terug op het juiste spoor gezet. Ik heb er absoluut geen spijt van: mijn interludium bij de VMM was een absolute verrijking.


woensdag 2 september 2015

Terugkeer naar Asine

Je grijsblauwe ogen in dezelfde tint als de zoute watermassa onderaan de kliffen, de hemel loodzwaar, een Atlantische wind door je haren. Met jou naar een Britse of Bretoense kust reizen, daar droomde ik van tijdens de koude winter van 2008-2009, toen ik je nog niet mijn lief mocht noemen. Aan kliffen geen gebrek in Griekenland, maar zee en hemel zijn er van een onpeilbaar blauw dat ik nooit in je ogen aantrof. Toch moest ik daar met jou heen.

Na de Griekenlandreis in het zesde humaniora mocht ik een verslag van de onvergetelijke trip neerpennen voor het schoolblad. In de afsluitende paragraaf had ik het over Asine, een klein schiereilandje in de baai van Argolis met schamele Mykeense resten. Een plek met een onbeduidende rol in de Illias van Homeros, maar ik voelde dat het voor mij van grotere betekenis zou worden:

Een terugkeer naar Asine, misschien met iemand die me het nauwst aan het hart ligt, misschien helemaal alleen. De blik in de verte, de blik in zee, de blik naar de bekoorlijkste bloemen, tussen de rotsen, de blik in het licht van de avondzon. De blik op het landschap van dat wonderlijke mooie land, bergachtig geplooid en verkreukeld als een prop papier, altijd met haar tenen in zee.

Het was met voorbedachte rade dat ik je naar deze plek leidde.


Het is begin mei als we in Athene aankomen. Onder impuls van de vroege zomerse warmte lossen de kruiden hun mediterrane geuren op de flanken van de Philopappusheuvel. Een landschildpad kruist ons pad, op weg naar een veel bezongen uitzicht op de drukke stad. Daags erna bezoeken we de belangrijkste ruïnes aan van de antieke stad. Van een door toeristenhordes overrompelde Akropolis gaat het naar de Boulè op de nimfenheuvel, waar de fundamenten van de democratie werden gelegd. Ook de agora is een bijzondere plek, het terrein van wijsgerige heerschappen als Socrates, Plato en Aristoteles.  Het publieke forum van geanimeerde discussies tussen sofisten, epicuristen, sceptici en stoïcijnen. We zijn de Oude Grieken erg veel schatplichtig: de geboorte van de democratie, de hoekstenen van de filosofie, de grondslagen van de geschiedschrijving, wiskunde en natuurkunde. Nu zijn het de Grieken die bij ons in de schuld lijken te staan, al is dat relatief, want wie treft schuld in de schuldencrisis? De schuldeisers hebben minstens zo veel boter op hun hoofd als de schuldenaren. Wars van alle democratische principes wordt de wil van het volk schroomloos aan de kant geschoven. De draconische besparingen drijven de al armlastige Grieken nog verder in de wanhoop. Het eengemaakte Europa davert op haar grondvesten omdat het haar aan een cruciaal element ontbreekt: solidariteit.

Na een dag in de hoofdstad rijden we met onze bescheiden huurwagen naar de Parnassus. Onderweg laten we Thebe, met haar zeven poorten, voor wat het is. Van die stad haar glorietijd is er weinig bezienswaardig overgebleven. Na een kort bezoek aan het klooster van Ossios Loukas raadplegen we het orakel van Delphi. Veel vragen voor Apollo maar geen antwoorden, de Pythia is niet op de afspraak. De Delphische rotsen kleuren paars in de avondzon. Een etmaal later is blauw de overheersende tint op het strand van Kalogria, op de Peloponnesos. Niet enkel de lucht en het water, maar ook het zand, je bleke haren en je blanke huid in gradaties van blauw. Wat verder trek ik een sprintje in het stadion van Olympia, op zoek naar eeuwige roem. De verzuring slaat al snel toe, een lauwerkrans zal niet voor vandaag zijn. Daarna trekken we verder het binnenland in, op zoek naar pastorale landschappen in Arcadië. Het uitzicht vanop een bergtop boven Dimitsana, bij ondergaande zon, mag met recht idyllisch genoemd worden. Na een prima ontbijt in ons prinsheerlijk pension verkennen we de vallei van de Lousios, met haar kloosters die in de rotswand zijn gehouwen. Helaas worden we in het eerste klooster wandelen gestuurd, terwijl we verderop botsen op een monnik die niet bestand is tegen de aanblik van blote meisjesbenen. Wat is er in godsnaam zo godslasterlijk aan vrouwelijke schoonheid?

We zijn net op tijd terug aan onze auto als een onweer de temperatuur met goed vijftien graden doet afnemen. Onze knusse kamer, met haar dikke muren, authentiek meubilair en ouderwetse luikjes, vormt een prima schuiloord. Ook aan de tempel van Vasses,  een schoolvoorbeeld van klassieke architectuur, staat een koude wind. Tijd om de bergen te verlaten en de Messeense stranden te gaan opzoeken. Het omegavormige strand van Voidokilia is enig mooi. Vanzelfsprekend zijn we er niet alleen. Aan de baai van Pylos genieten we van een glaasje Ouzo en een handvol Mezedes, gevolgd door een karaf witte wijn vergezeld van gegrilde garnalen en sardienen. Met het ultramarijne water bij valavond op nog geen meter van ons zorgt dit ensemble voor een volmaakt vakantiegevoel. Zo volmaakt dat het ons tijdelijk doet vergeten dat deze zee het macabere decor vormt voor de verdrinkingsdood van duizenden mensen op zoek naar een toekomst in het Avondland. Deze Mare Nostrum, onze zee, is een kerkhof geworden. De leiders van ons continent kijken toe vanop de zijlijn, zonder ook maar iets substantieels te ondernemen dat perspectief kan bieden aan de vele vluchtelingen op de loop voor oorlog en geweld. Hoe kunnen wij helpen? We leiden een luxeleven, jij en ik.

De antieke stad Messene is een geheimtip van formaat. Het is er heerlijk kuieren tijdens de laatste uren voor sluittijd. De overblijfselen moeten nauwelijks onderdoen voor die van Delphi en Olympia. Bovendien hebben we hier de site voor ons alleen. Op Hemelvaartsdag rijden we naar de andere zijde van het Taygetosgebergte, richting het harde Sparta. Daar is niet zo veel te bezichtigen, afgezien van jonge vrouwen met scherpe Dorische trekken op het centrale plein. We brengen de namiddag door aan het zwembad van ons hotel in Mystras, alsof er geen prachtige spookstad op ons ligt te wachten op de berghelling achter ons. We bezoeken de Byzantijnse ruïnes de dag erop in de loden hitte. Voor de bloei van de vele Judasbomen zijn we een maand te laat. Die andere Byzantijnse parel, Monemvassia, ligt verder op onze weg. We stappen de vesting binnen langs de enige toegangspoort. Het stadje, tegen een rots op een schiereilandje aangebouwd, zou evengoed als filmset van Game Of Thrones kunnen dienen. Jammer dat het hoge gedeelte van de stad, bovenaan de rots, is afgesloten wegens renovatiewerken. We laten het niet aan ons hart komen. In het winkeltje van lokale kunstenaar Manolis Grigoreas kopen we een poster met een afbeelding van een sinaasappelboom, dat later aan onze muur zal schitteren in de magische weken rond midzomer, wanneer het zonlicht ’s avonds vanuit het noordwesten door onze achterdeur binnenvalt.



Om de grillige oostkust van de Peloponnesos te bereiken rijden we door het Parnongebergte. In het hooggelegen dorpje Kosmas maken we een korte rondwandeling, waarna we een eenvoudige lunch nuttigen op het koele dorpsplein onder de platanen. Langs een bochtige weg door een spectaculair kloofdal arriveren we aan de golf van Argolis nabij Leonidi. Vandaar trekken we noordwaarts tot Nafplio. Deze stad wordt vaak een Italiaanse flair toegedicht. De vergelijking met Italiaanse steden is wat overtrokken, al brengt het roomijs van Marcello ons wel in de juiste sfeer. We gaan samen de uitdaging aan de ruim duizend trappen naar de Palamidiburcht te bedwingen. De hele reis al zit ik met een vraag in mijn maag, die met de tijd steeds harder is gaan knagen. Een vraag waarvan ik weet dat ze vanavond zal moeten gesteld worden, als we zullen picknicken op de rotsen van Asine. De site is veranderd sinds ik er acht jaar geleden zat te luisteren naar een gedicht van George Seferis, voorgelezen door leraar Dirk Steyaert. Kennelijk willen de Grieken nu munt slaan uit deze mooie plek; er is een tickethokje gebouwd en her en der liggen gebetonneerde paden. De werken hebben het uiteinde van het schiereiland gelukkig ongemoeid gelaten. Tijdens de picknick ben ik erg nerveus, hoewel je er niets van lijkt te merken.

Ik had de vraag aan het orakel van Delphi kunnen richten, waarbij jij in de plaats van Apollo had kunnen antwoorden. Ik had me kunnen laten inspireren door de zonsondergang op de Arcadische bergtop voor een spontaan aanzoek. Ik had kunnen wachten tot morgen en je de vraag kunnen stellen vanop de scène van het theater van Epidauros. Asine is echter de plek waar het moet gebeuren, voorbestemd sinds die Paasavond in april 2007. Helaas voor jou ben ik enkel een romanticus op papier, waardoor mijn huwelijksaanzoek eerder klinkt als een zakelijk voorstel dan als een vraag. Het is mijn onzekerheid over jouw antwoord die me op de valreep van het plan doet afzien voor jou op de knieën te gaan. Het is mijn onzekerheid over jouw smaak in juwelen die me deed besluiten de aankoop van een verlovingsring uit te stellen naar een latere fase. Ondanks dit alles zeg je ja. Een dag erna rij je met de huurauto tegen een muurtje, met beperkte maar dure schade tot gevolg. Het is ook mijn fout, ik had je niet dat smalle baantje moeten opsturen. We doorstaan de relatietest met glans. Na een aantal obligate tussenstops, van het genre Mykene en Korinthe, zit onze reis erop. We keren terug naar België als een verloofd stel.




Waarom trouwen? Hoewel er talloze andere geschikte partners rondlopen op deze planeet, hoeven we niet verder te zoeken. Ik hou van jou en jij schijnt van mij te houden. In deze tumultueuze wereld hebben we bij elkaar een thuis gevonden. Op een dag zullen we de vreugde van onze liefde feestelijk kunnen delen met naaste familie en vrienden. Een dag waarop de sinaasappelboom uit Monemvassia zal oplichten in de avondzon.


maandag 4 mei 2015

Kleine handen

Het ontstaan van handen is een bepalende stap in onze evolutionaire ontstaansgeschiedenis. Om handelingen mogelijk te maken is complexe neurale coördinatie noodzakelijk. Wellicht ligt dit aan de basis van het relatief grote hersenvolume van primaten. Wij hebben onze handen vrij om grip te krijgen op de werkelijkheid om ons heen, een groot voordeel ten opzichte van dieren die hun poten enkel gebruiken om op te staan. Enkel de olifant heeft met haar slurf een instrument voorhanden dat vergelijkbare functionaliteiten biedt. Toen onze voorouders de boomkruinen inruilden voor open savanne offerden ze een paar achterste handen op. Omdat we het voorste paar niet meer nodig hadden om ons aan takken vast te grijpen, kreeg de evolutie opnieuw vrij spel. Ons hersenvolume nam verder toe en we werden tegelijkertijd handiger en slimmer. Zo werden we wezens die onze leefomgeving naar goeddunken begonnen te manipuleren, met handen als verlengstuk van het bewustzijn.



Op het feest voor mijn achttiende verjaardag wees een gast me op mijn krachteloze handdruk. Ik had me zelf al talloze malen gestoord aan slappe handdrukken, zonder in te zien dat ik in hetzelfde bedje ziek was. Die avond werd een keerpunt, een essentiële stap richting volle wasdom. Gelukkig, anders stond ik vandaag wellicht bekend als een slapjanus met kleine, feminiene handen. Bovendien kan ik met mijn handen veel minder aanvangen dan de meeste van mijn soortgenoten. Does size matter after all?

Een kleine twee jaar later, op zaterdag 14 februari 2009. Na net iets meer dan één week prille verkering vieren Iebe en ik onze eerste Valentijnsdag. Voor de gelegenheid word ik verwelkomd op Iebes geboortegrond. Bij aankomst in het station van Veurne overhandig ik een zakje met hartvormige snoepjes en een haastig bijeen gekrabbeld kaartje. Tot mijn verbazing staat een maaltijd in het ouderlijk huis in Nieuwpoort op het dagprogramma. Mijn handen worden nat van het zweet, hierop ben ik niet voorbereid. De kennismaking vindt plaats in de achtertuin, waar een chocoladebruine labrador weinig moeite doet om zijn enthousiasme te onderdrukken. Ik maak een nerveuze eerste indruk, ik ben niet handig met honden. De mama heeft aan één gerecht genoeg om mij te overtuigen van haar kookkunst. De maaltijd, een West-Vlaamse herinterpretatie van een Marokkaanse tajine, is uitstekend. Het eten gaat vlot naar binnen, wat de papa inspireert tot een Nieuwpoortse versie van de zegswijze “rap ter hand is rap ter tand”. Deze volkswijsheid wijst op een vermeende correlatie tussen snelle eters en handige Harry’s. Daarna volgt een kruisverhoor dat als doel heeft te onderzoeken of het verband ook voor mij opgaat. Helaas moet ik de hypothese ontkrachten. Ook in latere praktijkexamens zou ik roemloos ten onder gaan.

Niet zo lang geleden zijn we verhuisd naar ons eigen rijhuisje. De woning was bij aankoop zo goed als instapklaar. In onze honger naar comfort kozen we er toch voor een nieuwe badkamer te installeren en de keuken volledig te renoveren. Binnen de kortste keren werd ik verondersteld de handen uit de mouwen te steken. Een stoffig huis in verbouwingen is echter niet bepaald mijn biotoop. Ik heb het met vrienden en collega’s dan ook uitgebreid gehad over de lastige verbouwingswerken en de opluchting toen deze uiteindelijk voorbij waren. Velen van hen waren verbaasd te horen dat ik zelf nauwelijks bij de werken ben betrokken geweest. Vandaar mijn onbehagen tijdens de renovatieweken, ik heb namelijk graag het gevoel van enig nut te zijn. Tijdens de werken slaagde ik daar nog minder in dan anders.

Er zijn in ons huis wonderen verricht waaraan ikzelf geen hand heb gehad. Mijn diepe erkentelijkheid gaat uit naar mijn schoonpa, die de mirakelwerken in badkamer en keuken grotendeels op zijn conto mag schrijven. Wat ik zelf gedaan heb, deed ik meestal niet goed. Buiten in de winterkou het afval sorteren, dat ging me nog wel af. De traphal stofzuigen bleek al een moeilijkere opgave, zoals bleek die keer dat ik de gigantische stofzuiger tegen mijn hoofd kreeg. Beneden staan stofzuigen terwijl de stofzuiger boven je op de overloop staat is nu eenmaal niet zo’n goed idee. Ook het monteren van een kleerkast bleek finaal te moeilijk. Zelfs verhuizen lukt niet zonder sporen op de muren na te laten. Ik begin te geloven dat er meer aan de hand is dan zuivere onbeholpenheid. Is het een schrijnend tekort aan praktische intelligentie, of gaat het om terugkerende gevallen van een selffulfilling prophecy?



Mijn klunzigheid manifesteerde zich reeds in de kleuterklas. Recht knippen en binnen de lijntjes kleuren was niet aan mij besteed (nog steeds niet trouwens). Bij het naaien en haken ging ik al helemaal aan het knoeien. Tijdens een vakantie hielp ik mijn vader bij het aanleggen van een terras, als zesjarige. Niet omdat het moest, maar omdat ik mijn steentje wou bijdragen. Toen al liep het mis: ik kreeg een steen op mijn linkervoet, met bloederige gevolgen voor mijn dikke teen. Sindsdien associeer ik klussen met pijn en schaamte. Eén en ander deed de juf van de derde kleuterklas vermoeden dat ik niet klaar was voor de overgang naar het eerste leerjaar. Ze vergiste zich. Het is niet omdat al dat geknutsel me niet interesseerde dat ik niet klaar was voor het betere lees- en rekenwerk.

Wat de zaak nog ernstiger maakt is mijn aversie voor instructies. Mijn gedachten gaan altijd op wandel als iemand mij iets praktisch probeert uit te leggen. Op het moment dat ik het dan zelf moet gaan doen loopt het geheid verkeerd. Het is een euvel dat me ook tijdens mijn studies parten speelde. De studie biochemie en biotechnologie bood op zich meer dan lekkers genoeg: het mysterie van de oorsprong van het leven, de moleculaire architectuur van cellen, de informatica achter overerving en genexpressie, het onmetelijk metabolisch potentieel van bacteriën… Helaas viel het praktijkwerk tegen. Ik heb geprobeerd om er wat van te maken, maar het eindeloos bijeen pipetteren van microhoeveelheden waterige oplossing werd me al snel te veel. Potten breken met onderzoek in een labocontext zat er niet in voor mij, klein glaswerk breken lukte wel voortreffelijk. Veruit het belangrijkste wapenfeit in mijn thesisjaar is de ontploffing van een microgolfoven.

Deze droevige voorgeschiedenis is geen reden om defaitistisch te doen over mijn praktische capaciteiten. Mijn oma beweert dat mijn pa tijdens zijn jeugd niet geïnteresseerd was in technische karweien, terwijl hij nu een eersteklas bricoleur is. Mensen leren en veranderen. Ik moet wel met een achterstand beginnen: ik heb proportioneel meer van het verstrooide en van-de-wereldse karakter van mijn moeder dan van het doelgerichte en aandachtige karakter van mijn vader overgeërfd. Het leerproces gaat traag, maar gestaag. Ik wroet graag met mijn handen in de aarde, bijgevolg staat tuinwerk al in mijn functieomschrijving. Ook aan het koken van een potje waag ik mij graag en vaak. Ik hoop in de toekomst onder andere het sleutelen aan fietsen niet meer te moeten uitbesteden. Ik zal mijn onhandigheid in elk geval nooit inroepen als excuus om mij aan het vuile werk te onttrekken.