dinsdag 21 maart 2017

Leven met Trump

9 november, de vroege ochtend. Versuft kijk ik op de wekker: 4 uur. Over de Atlantische plas lopen de resultaten van de presidentsverkiezingen binnen. Ik grijp naar mijn smartphone. Het ondenkbare dreigt te gebeuren: Trump ligt voor op Clinton in cruciale staten als Florida en North-Carolina.  Slapen zal deze ochtend niet meer lukken. Ook in rustbeltstaten als Michigan, Ohio en Pennsylvania moet Clinton het onderspit delven. Mijn ouders, schoonbroers en zussen liggen er ook wakker van: het drama wordt duchtig besproken op WhatsApp, als een koor dat commentaar geeft bij een klassiek treurspel. Na mijn ontbijt haast ik me naar de bushalte met mijn koffertje. De mensen op de bus kijken droevig, net als de mensen op de trein. Wellicht het milde leed die een alledaagse werkdag met zich meebrengt, maar ik spiegel mijn eigen Trumptreurnis in de gezichten van deze pendelaars. We zijn in een andere wereld wakker geworden.



Weken aan een stuk volgde ik de campagne op de voet. Ik analyseerde de polls, bekeek de debatten integraal en bezocht de belangrijkste Amerikaanse nieuwswebsites. Het is niet de eerste keer dat ik te kampen had met een verkiezingsverslaving, maar deze keer had ik het erg te pakken. Het was een vuile campagne: de drek vloog meermaals in beide richtingen, hoewel de republikeinse kandidaat, Donald J. Trump, het wel erg bruin bakte. De ene belediging volgde de andere op. Vrouwen, Mexicanen, mensen met een beperking, minderheden allerhande, oorlogshelden, gerespecteerde senatoren: allemaal moesten ze het ontgelden. Zijn democratische tegenkandidate zag hij het liefst achter de tralies verdwijnen. Toen een oude video aan de oppervlakte kwam waarin hij opschept over seksueel overschrijdend gedrag dacht ik dat het over en uit zou zijn. Er zijn Pol Vandendriessches die voor minder uit een verkiezingsrace zijn gestapt of gedwongen. De wereld keek met ongeloof, maar ook met een zekere geamuseerdheid, naar de strapatsen van de miljardair. Na de campagne zouden we wel ontwaken uit deze vreemde droom. Na deze hoogmis moddergooien zou het machtigste land ter wereld eindelijk geleid worden door een vrouw. Niet dus.

Ik ben op weg naar de Palts in Duitsland, om mijn kennis en kunde in optimalisatiemodellering aan te scherpen op een programmeercursus. Een serie treinen brengt me achtereenvolgens naar Brussel, Keulen, Frankfurt, Mannheim en Frankenthal. Een buurttrein brengt me naar het dorpje Herxheim. Met mijn trolley wandel ik de heuvel op. De wijngaarden schitteren in de novemberzon. De bladeren zijn goudgeel gekleurd, de druiven reeds geoogst. Na een goed halfuur kom ik toe in het hotel in het volgende dorp, Weisenheim am Berg. De cursisten zitten in een vergaderzaaltje achter de receptie. Al snel word duidelijk dat er slechts drie deelnemers zijn voor de gevorderde cursus, mezelf ingerekend. De lesgever, Herr K., is een oudere man met een opvallend kapsel: een grijs carréetje dat steil tegen zijn slapen lijkt geplakt. Het gezicht dat door het haar wordt omkaderd wordt verder opgeleukt door een groteske ziekenkasbril en een gebit dat duidelijk de strijd verliest tegen de tand des tijds.

Terug naar die andere man met een opmerkelijk kapsel. Diegenen die hem een presidentieel karakter aanmaten eens hij het ambt zou betreden sloegen de bal mis. Zijn overwinningstoespraak op verkiezingsavond was naar zijn doening redelijk verzoenend, maar na een hallucinante persconferentie twee weken voor de inauguratie wordt duidelijk dat we weinig presidentieels van de man moeten verwachten. De aanwezige media worden te kakken gezet als ‘Fake news’, een term die weken ervoor voor het eerst opdook om te verwijzen naar valse nieuwsberichten die in het voordeel van Trump speelden. Trump kaatst de bal terug: kranten, televisiezenders en nieuwswebsites die hem bekritiseren worden als Lügenpresse weggezet. Een maand ver in zijn presidentschap worden kritische journalisten door zijn acolieten uitgesloten bij een persbriefing. De zogenaamde leider van de vrije wereld heeft een duidelijke boodschap voor autoritaire figuren: snoer ze gerust de mond, die kritische journalisten. Daar staat tegenover dat de media niet helemaal vrijuit gaat bij deze crisis van de liberale democratie. Trump, die bekend is geworden als realityster, weet perfect hoe hij de persjongens moet bespelen. ’s Ochtends lost hij enkele controversiële tweets, die meteen door journalisten worden opgepikt en besproken, als Pavlovhonden met het water in de mond bij de verwachting eten te krijgen. Zelf kan ik het ook niet laten om rond drie uur in de namiddag Belgische tijd een kijkje te nemen op het twitterprofiel van Donald. Het heeft iets verslavend. Trump gebruikt Twitter meer en meer als afleidingsmanoeuvre: als zijn entourage in het nauw wordt gedreven door haar banden met het Russische regime, gebruikt hij het medium om Obama te beschuldigen van spionage. Een inflammatoire bewering die direct de Headlines domineert, en later staalhard wordt ontkend door de inlichtingsdiensten. Ook triviale Trumptweets, zoals deze over de nieuwe presentator van realityshow ‘the Apprentice’, worden duchtig besproken in de pers. Als Trump aas uitgooit, bijten de journalisten. Rob Wijnberg van de Correspondent verwoordt treffend dat de journalistiek haar verantwoordelijkheid niet mag ontlopen[1]:

Nieuws produceert dagelijkse verontwaardiging, maar zelden duurzaam verzet. Nu Donald Trump een regelrechte aanval op deed democratie heeft ingezet, zal de journalistiek fundamenteel anders te werk moeten gaan. Laat journalisten de historici voor zijn en de geschiedenis opschrijven  voordat zij zich herhaalt.


Tijdens de eerste cursusdag wordt duidelijk wat aan de grondslag ligt van de tandproblemen van Herr K: het heerschap blijkt een uitzonderlijke voorliefde te hebben voor ongegist druivensap en zoete gebakjes. Beiden worden ter beschikking gesteld van de cursisten. Ook lunch en diner zijn bij de cursusprijs inbegrepen. Het ideale moment om kennis te maken met de lesgever en de andere deelnemers. De ene is een olierijke Katarees die promoveert aan de London School of Economics: een vriendelijke man met een grenzeloze appetijt. De andere is een verlegen Vietnamese dame die doctoreert aan de universiteit van Bonn. Na het uitwisselen van de gebruikelijke beleefdheden duw ik het conversatie in de richting van de Amerikaanse presidentsverkiezingen, bij wijze van gesprekstherapie ter verwerking van het collectieve trauma. Tot mijn grote verbazing begint Herr K. de loftrompet te steken overTrump. Hij begint met hem een bovenmaatse intelligentie toe te meten. Trump is erg gefortuneerd, dus moet hij wel slim zijn, zo gaat de redenering. Ten tweede moeten we ons niet bemoeien met wat het Amerikaanse volk beslist heeft. Ten derde is Trump een eerlijk man en Clinton een pathologische leugenaarster. Ik verslik me net niet in mijn Kürbissuppe.

Als er iemand een pathologische leugenaar is, dan wel Donald Trump. Een leugenaar en een gevaarlijke narcist. Dat bleek al daags na zijn inaugurale donderpreek. Leugens over de grootte van de massa die zijn inauguratie bijwoonde, leugens over verkiezingsfraude, en zelfs leugens over het weer. Hij beweert dat een (goddelijke?) zonnestraal vanachter het wolkendek tevoorschijn kwam op het moment dat hij het spreekgestoelte beklom, terwijl het in werkelijkheid onophoudelijk regende. De dag dat de Women’s March het verzet tegen het nieuwe regime inluidt, met veel meer volk dan daags ervoor op de inauguratie, maakt de wereld kennis met zijn woordvoerder Sean Spicer. Op zijn eerste persconferentie blaft hij het aanwezige journaille af en lanceert hij zijn eerste leugen: een makkelijke falsifieerbaar statement over een vermeende recordopkomst voor de inauguratie. Er zouden nog vele onwaarheden volgen. De Amerikaanse politiek is ontaard tot een web van leugens, met Trump als grofgebekte spin in het midden.



Terwijl mijn medecursisten zich diplomatisch afzijdig houden, heeft mijn weerwerk weinig effect op Herr K. Ik hou wel van een knetterende politieke discussie, maar met anderhalve cursusdag voor de boeg kan het gesprek beter naar een rustiger vaarwater worden geleid. Misschien kunnen we het over onderzoek hebben. Ik doe een kort inleidend praatje over externaliteiten van intensieve veeteelt, zoals vermesting en methaanemissies. Herr K. trekt zijn neus op en kijkt me afkeurend aan. Hij gelooft niet in antropogene klimaatverandering. Een wetenschapper (een astronoom nota bene) die de klimaatrecords die we nu waarnemen[2] volledig toeschrijft aan natuurlijke fluctuaties. Ik verslik me bijna in mijn Sauerkraut. Daar stopt het niet. Hij gelooft ook niet in externe kosten van milieuvervuiling. Hij gelooft niet dat de overheid corrigerend moet optreden bij marktfalen. Hij verwerpt elke vorm van belastingen.

Herr K. zou zo kunnen dienen in het kabinet van Trump. Klein minpuntje: hij is geen miljardair. Minister van Buitenlandse Zaken Rex Tillerson, de ex-CEO van oliegigant Exxonmobil, en onderwijsminister Betsy DeVos zijn slechts twee voorbeelden van puissant rijke regeringsleden. De president heeft zich omringd door een team van klimaatontkenners, creationisten, grootkapitaalverdedigers en kleptocraten. Vele kiezers hebben voor Trump gestemd vanuit de legitieme bezorgdheid dat ze te weinig zijn gehoord door Washington, en vanuit de vaststelling dat de globalisering van de economie hen meer kwaad dan goed heeft gedaan. Het resultaat van hun stem is een regering die verregaande belastingverlagingen doorvoert voor de allerrijksten, de ziekteverzekering voor miljoenen mensen onbetaalbaar maakt en de bescherming van het leefmilieu drastisch terugschroeft. Intussen wordt de gewone man ingepeperd dat de natie bedreigd wordt door externe krachten. Een muur moet Mexicaanse ‘bad hombres’ tegenhouden. Een inreisverbod voor mensen uit zes moslimlanden, onder het mom van nationale veiligheid, is de facto discriminatie op basis van religie. Het spreekt voor het justitieel apparaat van de Verenigde Staten dat dit laatste voorlopig werd opgeschort. Hoewel de betrokken rechters worden geïntimideerd, lijkt het systeem van ‘Checks and Balances’ stand te houden. Ook Russische inmenging in het verkiezingsproces en mogelijke collusie tussen Poetintrawanten en Trumpvertrouwelingen wordt onderzocht, zowel door inlichtingsdiensten als door een parlementaire commissie.

Onze lesgever ziet de wind ook in eigen land de goede kant opwaaien. Angela Merkel is naar zijn mening een zwakke leider, haar sociaaldemocratische uitdager Martin Schulz een clown. Alternative für Deutschland (AfD) draagt zijn voorkeur weg en doet het die dagen goed in de peilingen. Le Pen en Wilders weet hij ook wel te pruimen, terwijl de Europese Unie van hem op de schop mag. “Ieder voor zich”: dat is een leuze waar Herr K. zich in kan vinden. Trump ziet de Europese Unie eveneens het liefst als een kaartenhuisje in mekaar zakken, een standpunt dat hem vermoedelijk in het oor is gefluisterd door zijn Britse kompaan Nigel Farage. Intussen is de populistische golf tot staan gebracht in Oostenrijk en Nederland. De belangrijkste verkiezingen voor Europa komen er echter nog aan: de Franse presidentsverkiezingen in de lente en de Duitse bondsdagverkiezingen in het najaar. Dezelfde ingrediënten zijn aanwezig als deze die op het aanrecht lagen voor de Brexit- en Trumpverkiezing vorig jaar: angst over migratie en economische onzekerheid, gekruid met een veelvoud aan valse nieuwsberichten die zich viraal voortplanten via sociale media. Meer dan ooit is het van tel dat politici het belang van Europese eenheid in de verf zetten, en in het licht van autoritaire figuren als Erdogan en Poetin aan onze buitengrenzen, het belang van waarden als tolerantie en persvrijheid.



Nadat het hoofdgerecht is geserveerd hebben we het over specialiteiten van de streek: friszure witte wijnen en stevige vleesgerechten. Als de gespreksstof dreigt uitgeput te raken heeft Herr K. nog een interessant weetje klaar: Friedrich Trump, de grootvader van Donald, migreerde uit het dorpje Kallstadt, amper twee kilometer van de cursuslocatie vandaan, naar de Verenigde Staten. Plots overvalt me het gevoel dat ik niet op programmeercursus, maar op Trumpbedevaart ben. Als ik twee dagen later op de trein naar huis zit overdenk ik wat me zal bijblijven van de afgelopen opleiding: een aantal tricks en strategieën om efficiënt optimalisatieproblemen op te lossen, maar ook hoe te overleven in het tijdperk van Trump. Eén woord: verzet.




[2] https://www.theguardian.com/environment/2017/mar/21/record-breaking-climate-change-world-uncharted-territory

zaterdag 11 februari 2017

Een introvert bij de kapper

Mijn haar groeit snel. Als mijn tandenborstel versleten is, wordt het tijd om nog eens een kapper op te zoeken. Als ik merk dat de haartjes op mijn tandenborstel alle kanten op staan, is dat met de haren op mijn hoofd meestal ook het geval. Ik word dan vriendelijk verzocht door mijn echtgenote om er de knip in te laten zetten.

“Zoals altijd?”. “Ja”. Elkaar verstaan met weinig woorden, een teken van een goede verstandhouding. Kapper Valère, van het gelijknamige kapsalon in de Gentbruggestraat in Sint-Amandsberg, begreep dat mijn haar gewoon kortgeknipt mocht worden. Enkel net voor de zomervakantie werd de tondeuse gehanteerd. Tijdens het schooljaar onderging ik  cycli van ‘coupe casserolle’ tot wat mijn moeder steevast een Beatleskapsel noemde. Tijdens de zomermaanden in de Ardèche had ik een radicaal andere look, zijnde dus een fris broske. Als peuter werd ik bewonderd om mijn angelieke blonde krulletjes, die met de tijd plaats maakten voor dikke bruine haren. Het predicaat ‘schattig’ was al gauw niet meer van toepassing. Ik zie mezelf als elfjarige door de kloostergang van Nieuwen Bosch lopen op een openschooldag, met een Ice Tea in een palmglas. Iedereen dacht dat ik bier aan het drinken was, wat ik best stoer vond. Ik hoopte in de gangen Delfien tegen het lijf te lopen, mijn crush van het moment. Ik hoorde ze voor ik ze zag, ze kwam een trap af samen met een vriendin. Dat ze niet doorhad dat ik er aan kwam maakte ik op uit het gesprek dat ze voerde: ze had het over het belachelijke haar op mijn kop. Ze was de eerste in een lange reeks onbeantwoorde liefdes.



Mijn pépé was ook klant bij herenkapper Valère. De weinige haren die zich vastklampten aan zijn anders kale hoofdhuid werden er bijgetrimd. Ikzelf ging er altijd met mijn vader heen. Ik ben niet zo bedreven in smalltalk, al helemaal niet met mensen die ik maar eens om de drie maanden zie. Nochtans is dat een essentiële vaardigheid die met name in het kapsalon haar nut bewijst. Gelukkig nam mijn pa de praatjes voor zijn rekening. Na afloop van de knipbeurt kreeg ik een lolly. De dag dat ik die niet meer kreeg besefte ik dat ik geen kind meer was. De jaren erop moest ik alleen naar de kapper, helemaal op mezelf aangewezen bij het aanknopen van een gesprek met Valère. Doorgaans ging het dan over reizen. Hij vroeg me of ik van plan was weer naar Saint-Mélany te trekken in de zomer, waarop hij zijn reisplannen uit de doeken deed en voorbije tripjes in herinnering bracht. Het was comfortabel om het gesprek altijd in die vertrouwde richting te zien evolueren. Sinds Valère met pensioen ging een vijftal jaren geleden zag ik hem slechts één keer: niet toevallig in de reisboekenafdeling van de Fnac.

Er zijn zo van die kappers waar ze vooraf je haar wassen voor ze aan het knippen beginnen. Blijkbaar zijn dergelijke kapsalons eerder de regel dan de uitzondering. Je moet dan je hoofd naar achter werpen in zo’n lavabo met een uitsnede voor je nek. Hoogst oncomfortabel. Als ik al niet het gevoel heb dat ze me op elk moment kunnen onthoofden, dan wel bekruipt me de sensatie dat ik mijn hoofd na afloop van de wasbeurt nooit uit die lavabo zal krijgen. U begrijpt dat ik liever andere kapsalons frequenteer, niet alleen omwille van de uitgespaarde doodsangsten, maar ook omwille van de prijs. Sinds Valère zijn scharen aan de haak heeft gehangen ga ik naar Turkse kappers. Toen ik nog bij mijn ouders thuis woonde was dat in de Sleepstraat. Daar krijg je, naast gratis aftershave en gel, een verschroeiende oorhaarbehandeling als extraatje. Tegenwoordig zoek ik in Ledeberg mijn gading. Aanvankelijk ging ik bij Musti. Klinkt schattig, maar mijn ervaring is dat het er ook soms spannend aan toegaat. Musti’s zonen zijn bij hem in de leer. Toen ik er de eerste keer langsging was zijn jongste nog geen tien, maar toch al verantwoordelijk voor het bijscheren van bakkebaarden en nekhaar, met een ontzagwekkend scherp scheermes. Omdat Musti me consequent kleinerend ‘jongen’ bleef noemen, terwijl ik intussen wel als ‘meneer’ mag worden aangesproken, kwam ik uiteindelijk bij kapsalon Adem terecht, op de Brusselse Steenweg.



“Wat mag het zijn voor meneer?” “Kort, maar niet te kort”. “Hoe kort precies?”. “Geen bros, maar gewoon kort”. “Bovenaan wat langer, 20 mm, aan de zijkanten met de tondeuze?” “Ja goed”. Het gesprek kan efficiënter, maar voor de rest heb ik geen klachten over de twee Turkse kappers van Adem. Smalltalk hoeft niet, ze spreken met elkaar en met andere klanten in een taal die ik niet machtig bent. Aangezien ze met twee zijn hoef je er gewoonlijk ook niet te lang te wachten. De gebruikelijke ongemakken van een bezoek aan de kapper zijn wel niet te vermijden. De jeuk aan de nek. De ondraaglijke intimiteit van een man die noodgedwongen de grens van je ‘personal space’ overschrijdt. Bovenal het feit dat ik een kwartier lang naar mijn spiegelbeeld moet staren. Ik slaag er met moeite in een glimlach uit mijn gezicht te persen en ik zie er vaak ontzettend vermoeid uit. Ik bedenk hoe onsympathiek en stug ik moet overkomen. Onlangs dacht de kapper met me klaar te zijn, waarop hij vroeg of ik tevreden was. “Dankje”, antwoordde ik, maar hij kon aan mijn gezicht lezen dat ik mijn kuif te lang vond. “Nog beetje bijknippen?”, vroeg hij, waarop ik gedwee moest bevestigen.


Ik stel vast dat er steeds meer plukken grijs haar van mijn hoofd vallen als ik bij de kapper zit. Binnen afzienbare tijd zal ik mijn zoontje vergezellen naar de herenkapper. Jeetje, ik word oud.

maandag 30 januari 2017

Ecokroost

Is een kinderwens in tegenspraak met een groene levensstijl?

 Je zoveel mogelijk op eigen kracht verplaatsen op twee voeten of twee wielen, de consumptie van dierlijke producten matigen of volledig afzweren, enthousiast hergebruiken en recycleren, in een energiezuinig huis verblijven en uitsluitend groene energie verbruiken: allemaal geloofsvoorschriften van de rechtgeaarde ecologist. Heel veel mensen die onze planeet een warm hart toedragen kiezen er ook bewust voor om kinderen te krijgen. Valt die keuze te rijmen met hun ecologische levenswandel?

I = P*A*T. Deze eenvoudige formule beschrijft de impact van menselijke activiteit op het milieu. De ‘I’ staat voor impact, de ‘P’ voor bevolking (‘population’), de ‘A’ voor welvaartsniveau (‘affluence’) en de ‘T’ voor technologie. Door aan deze variabelen te sleutelen kunnen we de menselijke impact op het milieu verminderen. Traditionele ecologisten hebben vooral de ‘A’ in het vizier. Ze hameren erop dat we minder moeten consumeren en dat economische groei niet eindeloos kan doorgaan. Ecomodernisten zetten in op de ‘T’ en hebben hun hoop gevestigd op technologische vooruitgang en efficiëntiewinsten, waardoor we meer kunnen doen met minder energieverbruik en vervuiling. De ‘P’ blijft dikwijls buiten schot, niet enkel in de groene encycliek “Laudato Si” van Paus Francisus, maar ook op de klimaattop van Parijs in 2015. Nochtans zou onze planeet welvaren bij de aanpak van overbevolking. Een studie van Oregon State University becijferde dat het bewust kinderloos blijven twintig maal effectiever is wat betreft uitsparen van CO2-emissies dan het aanhouden van een milieuvriendelijke levensstijl.

De Amerikaanse filosoof en ethicus Travis Rieder, die recent een boek over deze materie neerpende, verwoordt het als volgt: “Misschien moeten we onze kinderen beschermen, door ze niet te hebben”. Naast de torenhoge koolstofvoetafdruk van de Westerse mens haalt hij daarbij ook morele redenen aan. Zo staat hij stil bij wat voor leven onze potentiële kinderen zouden hebben op een planeet die geteisterd wordt door losgeslagen klimaatverandering. Hoewel die visie wetenschappelijk en ethisch te onderbouwen valt, spreekt er een zeker misprijzen voor de mensheid uit die velen afstoot. Als je de redenering tot in het absurde doortrekt, is elke mens er één te veel is en de mensheid een pest die het duurzame voortbestaan van onze aarde bedreigt. Maar, is overbevolking wel echt een probleem? De beroemde Zweedse arts en statisticus Hans Rosling, bekend van zijn geanimeerde Ted-Talks, beweert van niet. Hij benadrukt dat het aantal kinderen dat jaar na jaar geboren wordt niet meer substantieel gestegen is sinds 1990. Dat de wereldbevolking toch nog zal stijgen tot zo’n 9 miljard in 2050 heeft vooral te maken met het feit dat we met z’n allen ouder worden. Daarenboven is het geboortecijfer in België met 1.79 geboorten per vrouw lager dan wat nodig is om de populatie in stand te houden. Het evenwichtsniveau voor een stabiele populatie ligt rond 2.1 kinderen per gezin.



De groene blogster “Green Evelien” verantwoordt haar keuze voor een derde kind door te zeggen dat ecologisch leven niet haar hoogste prioriteit is, maar geluk. Vele mensen, zelfs verstokte groenen, zullen het met haar eens zijn. Als je ervan overtuigd bent dat bij het goede leven kinderen passen, dan ga je daar ook effectief voor. Ecologie is meestal geen levensdoel op zich, maar een randvoorwaarde, net zoals andere waarden die je koestert. Bovendien kan je die waarden ook doorgeven aan je nageslacht. Daarnaast kan je er alles aan doen om de milieu-impact van het grootbrengen van je koters binnen de perken te houden, bijvoorbeeld door te kiezen voor herbruikbare luiers, duurzame voeding en duurzame mobiliteit. Ook Stad Gent heeft een hart voor kinderen: kindvriendelijkheid is één van de prioriteiten van het stadsbestuur. Een kindarme, verouderende stad zou natuurlijk maar een levenloze aanblik bieden, maar er zijn nog andere redenen waarom we kinderen moeten koesteren. Zo geven ze ons het perspectief van duurzaamheid mee, omdat we hen een goede toekomst willen geven. Daarnaast is een omgeving op maat van kinderen een omgeving op maat van iedereen: een verkeersveilige publieke ruimte, veel groen en een gezonde lucht is heilzaam voor jong en oud. Tenslotte willen veel mensen kinderen omwille van de biologische imperatief van voortplanting, een drang die ons verbindt met alle andere levende wezens op aarde. Misschien doet het besef dat ook wij deel uitmaken van de grote levensboom ons respect voor niet-menselijk leven toenemen? Ons respect voor vogeltjes die hun nest maken in onze tuin, maar evengoed voor bedreigde amoertijgers en zeldzame bergbloemen? Dat laatste is wellicht wishful thinking, maar ikzelf word in de zomer ook vader, een keuze van het hart die ik met het verstand moet kunnen wettigen. Omdat er een zeker taboe rust op kinderloosheid moeten bewust kinderloze mensen hun keuze vaak rechtvaardigen. Op een eindige planeet zijn het echter niet zij, maar wij die ons moeten verantwoorden.


woensdag 18 januari 2017

Een land van reuzen

Op een anders maagdelijke muur in onze leefruimte hangt een kadertje met een prent uit Noorwegen. Het verbeeldt een ijzingwekkend lange Noorse winternacht ergens aan een westelijke fjord. Zes bootjes dobberen op het roerloze water. Twee besneeuwde bergen flankeren de uitweg naar de volle zee, een engte overspannen door een heldere sterrenhemel. Het contrast met onze eerste indruk van Noorwegen, midzomer in Oslo, kan nauwelijks groter zijn. Ook een fjord, maar met een zachter karakter. Geen duisternis, maar licht die iedereen naar buiten heeft gelokt. Op de terrassen langs de kade worden copieuze vismaaltijden genuttigd. In de straten en in de parken genieten jongelui van de aandacht van het andere geslacht, terwijl ze luidkeels om hun eigen grappen lachen. We zetten ons neer op de trappen bij Het Koninklijk Paleis om er van de magie van de late avondzon te genieten. Zonder alcohol, want dat is hier verboden in de publieke ruimte.




In de Nasjonalgalleriet word je als bezoeker uitgenodigd meer te doen dan enkel naar de werken te kijken. In de tekenkamer kan je een sculptuur van Gustav Vigeland, een moeder die haar kind liefdevol omhelst, op papier schetsen. Niet aan mij besteed, dus kijk ik afwisselend naar het beeld en naar mijn echtgenote, die met veel rust, beheersing, focus en accuratesse het potlood hanteert. Wat verder zien we een werk hangen dat een traditionele Noorse bruiloft afbeeldt: bruid en bruidegom letterlijk in het huwelijksbootje, in de nabije achtergrond een staafkerk op de oever, in de verre achtergrond besneeuwde bergtoppen en een gletsjer – een passende illustratie bij onze huwelijksreis. Er hangen hier veel landschappen, een voorafspiegeling van wat ons reisprogramma te bieden heeft: fjorden, gletsjers, bossen, watervallen, rotspartijen, rivieren. Hier en daar hangen wat intiemere werken, zoals een liefdevol portret van een ingedutte jonge mama, haar linkerhand rustend op de wieg van de boorling. De schilderijen van Edvard Munch zijn van een andere aard. Angst, depressie, ziekte, dood: landschappen die we zo ver mogelijk voorbij onze horizon willen houden.

Het Noorse natuurschoon vormt het hoofddoel van onze reis. We bedwingen het landschap met een huurauto. De Noren hebben het ontembare terrein getemd met hun wegen: langs bergpassen, door smalle kloven, over nauwe fjorden. Het is de ambitie van de Noorse regering om elk dorp, tot en met het kleinste gehucht, bereikbaar te maken voor wegverkeer. Waar de geomorfologie dat voornemen onmogelijk lijkt te maken bouwen de Noren enerverende tunnels, inclusief kruispunten en rotondes. Je moet er wel niet op rekenen snel vooruit te geraken in dit land. Bergen en bochten begrenzen de maximaal toelaatbare snelheid. Gemiddeld om het halfuur dwingt een betoverend uitzicht ons even halt te houden.




We zetten voor het eerst onze nieuwe tent op aan het meer van Dalen, in de Telemark. Kleine steekvliegjes maken het er ons knap lastig. Aan de Ravenkloof moet ik mijn angst voor hoogtes bedwingen. Naar verluidt komt een biljet dat je in de afgrond gooit zo terug in je hand gewaaid door de thermiek. Ik waag me er niet aan. We verwelkomen de eerste regen van onze trip. Voorbij een bergpas, die volledig in de mist is gehuld, komen we in het dorpje Roldal. We treffen er een elegante staafkerk aan, naast een handvol gelegenheidswatervallen. Onze volgende kampplaats ligt aan de Hardangerfjord in Lofthus. Als we onze tent opzetten stopt het eindelijk met regen. De lage wolken over het water verdwijnen. In het dorp wordt een huwelijk voorbereid, het kerkje op een steenworp van de fjordoever. Aan deze setting kan zelfs de Gentse binnenstad, het decor van onze trouwerij, niet tippen.

Onze eerste dagtocht is meteen een fysieke uitdaging: van zeeniveau aan de fjord tot aan het ongeveer duizend meter hoge Hardangerplateau. Gelukkig is de zon van de partij. Vanop de monnikstrappen op de helling openbaart zich een prachtig panorama: de donkerblauwe fjord in de diepte, het glimmende wit van de Folgefonnagletsjer aan de overzijde. Dicht bij de top bevinden we ons plots in een andere wereld: kolkende watervallen, gevoed door wild stromend smeltwater. Boven op het plateau grazen geiten op de schrale lapjes gras tussen de sneeuwvelden. Het water in de rivier rust hier even uit in kleine meertjes voor het zich naar beneden gooit. We zijn zo verdoofd van al dat moois dat we onze eigen krachten overschatten. We stappen een heel eind door tot aan een verlaten herdersdorpje. In mijn verbeelding is er een café gevestigd, maar de realiteit spreekt dat tegen. We gaan langs een ander weg terug - een weg die niet begaanbaar is in juni omwille van het smeltwater. Dan maar enkeldiep door de ijskoude beek. De afdaling terug is, met natte voeten, een beproeving. Beneden storten we ons van pure uitputting en ontbering op een blik spaghetti van de campingwinkel.



Het is in Lofthus dat Edvard Grieg zijn vurige strijkkwartet in G minor componeerde, in een boerderijtje tussen de fruitgaarden. De grootste omgeving zal hem zeker geïnspireerd hebben. We verlaten het dorp en rijden naar Troldhaugen, het huis waar hij de laatste 30 jaar van zijn leven heeft verbleven. Ik ben verrast over zijn postume populariteit: grote drommen toeristen uit het Verre Oosten en Wilde Westen vergezellen ons. We verblijven twee nachten op hotel in Bergen, waar het onophoudelijk regent. Het type regen dat Karl Ove Knausgård zo treffend beschrijft in het vijfde boek van zijn romancyclus ‘Mijn Strijd’. Knausgård, de man die zijn eigen leven tot literatuur heeft verheven, met alle offers die dat met zich meebrengt.  De man die met evenveel scherpte de hoogte van de bergen om hem heen als de diepte in zijn ziel beschrijft. We lopen door dezelfde straten als die waar de auteur als twintiger doorheen strompelde - een stomdronken student op de dool, verse tekenen van zelfverminking op zijn aangezicht. Vandaag lopen we hier met Jan, een oud-medestudent met wie ik herinneringen aan een mooie reis naar Montenegro deel. Hij zag er vroeger al uit als een Viking, maar nu hij, na vier jaar doctoreren in deze stad, de taal van Ibsen perfect beheerst, kan niemand hem hier van een echte Noor onderscheiden. Behalve dan vanavond, nu hij samen met ons vurig voor de Rode Duivels supportert, die de Hongaren met 4-0 uit het EK kegelen. Een voetbaltoernooi staat altijd garant voor een opwelling van vluchtige vaderlandsliefde.

Na het Bergens intermezzo beginnen we aan het vervolg van onze ‘Grand Tour of the Fjords’. De Hardangerfjord hebben we al achter de kiezen, de volgende op het programma is de reusachtige Sognefjord. Het dorpje Balestrand is de ideale uitvalsbasis voor een boottocht over de Fjaerlandsfjord, een zijarm van de Sognefjord. Naarmate je het einde van die fjord nadert, krijgt het water een groene schijn. Daarvoor zijn kleipartikeltjes afkomstig van de reusachtige Jostedalsbreen verantwoordelijk, de grootste gletsjer van continentaal Europa. Het smaragdgroene water is een quasi volmaakte spiegel: voor een moment is het niet zeker dat de echte wereld zich boven het wateroppervlak bevindt. Wat later, onder aan de gletsjer, sta ik met een stevige blok ijs in mijn handen. Mogelijks duizend jaren oud, vertelt een gids. Ik staar in het ijs alsof ik er de toekomst in kan lezen, alsof het iets zou kunnen vertellen over wat binnen duizend jaar zal plaatsvinden. In werkelijkheid zegt het zelfs niets over mijn nabije toekomst: de geboorte van mijn petekindje Charles, het huwelijk van mijn ouders dat abrupt ten einde loopt, mijn wijze vrouw Iebe die met succes haar doctoraat verdedigt en vooral: ons kindje dat in juli volgend jaar op de wereld zal komen.

Langs een huiveringwekkende serpentweg rijden we van de Sognefjord naar de Nordfjord. Onderweg stoppen we aan Astruptunet, de woning van schilder Nicolai Astrup. De man hield zich tijdens het Fin de Siècle een tijdje op in de kunstenaarsmilieus van Berlijn en Parijs, maar keerde later terug naar zijn geliefde vaderland, waar hij zich voor de rest van zijn leven vestigde in een bescheiden boerderijtje aan een meer in het Vestlandet. Zijn werk lijkt met zijn pastorale focus en felle kleurgebruik wat naïef, maar is zeker ook ontroerend. De volle maan boven het meer, zijn eega Engel en één van zijn acht kinderen in de voorgrond, zwoegend in een moestuintje. Een ongeknotte knotwilg met het silhouet van een trolletje. Dansende boeren rond het Sint-Jansvuur op midzomeravond. In elk van zijn werken is het duidelijk dat het onderwerp hem na aan het hart moet hebben gelegen.



In het Art Nouveau stadje Ålesund kijken we naar de EK-wedstrijd van de Belgen tegen Wales. De Welshmen zijn een klasse te sterk, een treurige zaak. Als het met de voetbal niet lukt is er nog altijd de liefde, spreek ik mezelf troostend toe. Een gigantisch Disney-cruiseschip ligt voor anker in de haven. Het lijkt ons te achtervolgen tot in de diepste plooi van de Geirangerfjord, waar het honderden Amerikanen uitbraakt die de souvenirwinkels van Geiranger komen leegplunderen. We trekken er ons weinig van aan. We hebben onszelf, na vijf nachten kamperen, op een luxehotelkamer getrakteerd in het hotel ‘Utsikten’. Het uitzicht maakt de beloften waar - de prijs is dan ook navenant. Voor de laatste vier nachten kunnen we ons enige luxe permitteren, het zijn tenslotte onze wittebroodsweken.

Een steile wandeling brengt ons naar Skageflå, een verlaten boerderij die zich onmogelijk dicht bij de afgrond bevindt. De boeren moesten er hun kroost met een touw aan een paal vastmaken om dramatische ongelukken te vermijden. Noorwegen is niet gespeend van mooie vergezichten, maar het onwezenlijk mooie panorama hier valt moeilijk te overklassen. Jotunheimen, Noors voor ‘huis van de reuzen’, komt op zijn minst dicht in de buurt. We doen er de klassieke tocht over de Bessegen bergkam, waar Ibsens Peer Gynt over zou zijn gereden op een rendierstier. Jaarlijks trekken er veertigduizend mensen over deze engte, waar het op sommige plaatsen eerder klauteren dan stappen is. Links doemt een afgrond van achthonderd meter op, rechts kan je ‘amper’ vierhonderd meter diep vallen. Toch wagen sommige sportieve Noren zich hier met kleine kindjes in de draagzak. Na al die waaghalzerij genieten we ’s avonds in het karaktervolle berghotel ‘Hindsæter’ van een culinaire laatste avondmaal. Rendierstoofpotje als hoofdgerecht en dennenwortelsorbet als dessert, kundig geserveerd en aangekondigd door een praatgrage chef. We kijken elkaar in de ogen bij een glas rode wijn. Een geslaagde bruiloft en een onvergetelijke huwelijksreis: onze echtverbintenis is goed ingezet.




Het gedeelte van de woonkamer waar de Noorse prent hangt is nog leeg, maar binnen afzienbare tijd zie ik er een speelhoek verschijnen. Als ons kindje naar de herkomst van het prentje vraagt zullen we het vertellen over dat sprookjesland in het Noorden, met haar elfen, dwergen, trollen en reuzen. 

maandag 24 oktober 2016

Drive-in

Tussen mijn Gentbrugse huis en mijn Ekkergemse werkplek ligt een fietstraject van vijf kilometer, dwars door het stadscentrum. Geen verkeerslichten onderweg, maar wel een aantal kruispunten waar ik moet opletten niet van de straat te worden gemaaid door zwaardere jongens op de weg. Het Sint-Annaplein is zo’n plaats. Gelukkig hebben fietsende forenzen het voor het zeggen in andere straten, zoals aan de Visserij, waar de rode loper voor hen is uitgerold. Daar blijven de wagens netjes achter de rijwielen.



Onderweg naar het werk kom ik voorbij een aantal scholen. De basisschool van Nieuwen Bosch, in de Tweebruggenstraat, is er één van. De school waar niet alleen de Gentse Nobelprijswinnaar Literatuur Maurice Maeterlinck, maar ook ondergetekende, hun eerste jaren onderwijs genoten. Een respectabele instelling die teruggaat op een nonnenklooster, waar de barokke kapel met haar sierlijk torentje nog van getuigt. Toen ik er in mijn grijs uniformpje rondliep stonden de laatste stokoude nonnetjes op het punt met Onze-Lieve-Heer te worden verenigd. Het was rond die tijd, midden jaren negentig, dat het schoolbestuur de onbezonnen beslissing nam een ‘drive-in’ aan te leggen. Sindsdien rijden auto’s af en aan op het schoolterrein, waarbij de mooie abdijtuin steevast wordt ontwijd. Het zorgt voor wat extra fijn stof in kinderlongetjes. Verrassend veel ouders komen er hun kroost met een luxewagen afzetten. Sommigen zelfs met een 4x4, alsof het Gentse stratennet er zo slecht aan toe is dat er rallyraces op georganiseerd kunnen worden. Elke auto die van de drive-in gebruik maakt kruist het tweevaksfietspad van de Tweebruggenstraat tweemaal. Aangezien dit één van de drukste fietsassen van de stad is laat het gevolg zich raden: pure verkeerschaos. De website van de school vermeldt het volgende: “Voor de veiligheid en om alle parkeerproblemen te vermijden beschikt de school over een uniek drive-in systeem voor het afzetten en ophalen van de kinderen”. Uniek in zijn stupiditeit.



Dat er anno 2016 wijzer over mobiliteit wordt gedacht bewijst de Montesorrischool Klimop in de Theresianenstraat, waar ik langskom net voor ik de steilste fietsersbrug van Gent, over de Coupure, moet bedwingen. De Theresianenstraat is een zogenaamde Schoolstraat: rond het begin en het einde van elke schooldag wordt de straat afgesloten voor gemotoriseerd verkeer. Een vrijwillige ouder of leerkracht van dienst houdt het verkeer op de Coupure Rechts tegen als er fietsers of voetgangers de straat kruisen en de Schoolstraat inslaan. Het is er niet enkel veiliger, maar ook beduidend gezelliger dan aan de schoolpoort van Nieuwen Bosch. Nadat de kindjes uitbundig de speelplaats zijn opgerend kunnen de ouders er gezellig bijpraten. Ik kijk uit naar het moment dat ook Nieuwen Bosch voor een ambitieus en bijdetijds mobiliteitsplan kiest. 

woensdag 5 oktober 2016

Ons feest van de liefde

Sinds enkele maanden ben ik in het bezit van een volwassen linkerhand, te herkennen aan twee attributen: een horloge en een ring. Het horloge kreeg ik van mijn grootmoeder, in naam van mijn overleden grootvader. Gedaan met de tijd te slijten zonder ik er erg in heb, voortaan verlopen mijn dagen in een strak keurslijf van uren, minuten en seconden. De ring om mijn ringvinger is een geliefd voorwerp om aan te frunniken. Mijn vinger is er nog niet mee vergroeid, ik kan hem nog gemakkelijk uit doen. Op de binnenkant staan twee namen en een datum gegraveerd: Iebe en David 18-06-2016.

Vrijdag 17 juni is een zonnige dag. Na de middag stap ik met Iebe naar het station van Gentbrugge, waar we afscheid nemen voor een halve dag en een volle nacht. Vervolgens pik ik thuis mijn kostuum op en neem ik de bus naar het centrum van de stad. Ik laat mijn pak bij mijn ouders achter en trek naar de platenhandel om het nieuwste album van Radiohead te kopen. Te voet terug naar huis besluit ik om vanaf het Keizerpark de Schelde te volgen. Ik ben een man van omwegen. Er groeien veel bloeiende braamstruiken langs de dijk, de belofte van een mooie oogst. Als ik de kerktoren van Gentbrugge in het zicht krijg besluit ik naar het kerkhof te gaan. Ik ga eerst langs bij het graf van mijn vaders vader. In stilte vertel ik hem over wat de dag erop gepland staat. Ik bedank hem ook voor het postume geschenk om mijn pols. Vervolgens ga ik naar het graf van de ouders van mijn moeder. Ook hen vraag ik geruisloos om hun zegen. Ik praat zelden met de doden, maar die dag komt het me voor als een zinvolle bezigheid. Ze hielden van mij, en ik van hen. Op hun beurt hadden ze ouders en grootouders die van hen hielden. Ik bedenk dat al die generaties een schakel van liefde vormen die ieder van ons met elkaar verbindt, terug tot in de nevelen van de tijd.



Op onze piano staat een balkvormige steen, met gravures op alle zijden met uitzondering van de onderzijde. Een geschenk dat met veel toewijding werd gemaakt op een eiland voor de kust van Wales; echt monnikenwerk. Hoewel het geen grafsteen is, staan er ook namen en een datum op gegraveerd: dezelfde namen en datum als op de ring aan mijn linker ringvinger.

Zaterdag 18 juni is fris en regenachtig. Maanden vooraf hadden we vol vertrouwen een dag in juni uitgekozen, voor een trouwfeest dat evengoed een midzomerfeest zou kunnen zijn. Een feest dat onder een open hemel zou plaatsvinden, met de zon als benevolente schenker van warmte, licht en sfeer. Onze ouders hadden zich op voorhand uitvoerig zorgen gemaakt over het weer, onze keuze voor een buitenlocatie indachtig. Ik heb hen steeds vol vertrouwen gezegd dat het weer prachtig zou zijn op onze grote dag. Naarmate 18 juni dichterbij kwam en de weersvoorspellingen convergeerden naar de status ‘wisselvallig en koel’ werd duidelijk dat mijn verwachtingen niet met de werkelijkheid zouden overeenstemmen. “Mariage pluvieux, mariage heureux”,  had een wijze collega me vooraf gezegd. Ik geef haar graag gelijk. De zon was nauwelijks van de partij, er stond een frisse wind en nu en dan werden we vergast op zachte regen. Naar de avond toe werd de neerslag intenser. Het kon de sfeer niet bederven. Tenten en terrasverwarming hielden iedereen droog en warm. Als blijdschap en plezier een meetbaar temperatuurseffect zouden genereren dan hadden de terrasverwarmers tot niets gediend. Er werd gegeten, gedronken, gelachen en gedanst; iedereen had het naar zijn zin. Een bruiloft zoals we het gewenst hadden, waarbij de gasten delen in onze vreugde. 

Naast onze huwelijkssteen staat een boeket bloemen in een lege bokaal. Het is verdord, maar nog steeds in vorm. Het blauw van de korenbloemen is naar lichtroze vergleden, terwijl in de rest van het boeket niet veel kleur meer valt te bespeuren. Op de dag zelf zag het eruit of iemand net een soortenrijke berm had afgestruind om het boeket bijeen te plukken: wild en spontaan.



Het is op weg naar de bloemist, op het Sint-Baafsplein, dat ik Iebe in haar volle bruidsornaat zie. Ze ziet er prachtig uit. Na een theatrale aanloop val ik in haar armen. Als we anderhalf uur later de veel te grote Sint-Michielskerk binnenwandelen, blijkt Iebes wilde bruidsboeket beter stand te houden dan mijn corsage, dat relatief snel de strijd met de zwaartekracht verliest. Aanvankelijk waren we niet van plan ons huwelijk voor de Kerk te laten voltrekken, maar uiteindelijk besluiten we het wel te doen omwille van het rituele kader dat het ons aanbiedt. Zo hoeven we geen beroep te doen op onze beperkte creativiteit om zelf met een ceremonie te komen aandraven. Onze keuze loont: de priester heeft mooie persoonlijke woorden voor ons veil in zijn homilie, de muzikale omlijsting bezorgt menig aanwezige kippenvel en de teksten van de woorddienst vormen een zinvol geheel. Het evangelie is van Johannes, met misschien wel de allerbelangrijkste evangelische imperatief: “Dit draag Ik jullie op: dat je elkaar liefhebt”.


Dat we elkaar liefhebben mag naderhand duidelijk zijn, maar daar houdt het wat mij betreft niet op. Een wijze collega drukt het, geheel in de geest van het mathematisch programmeren waarin ze uitblinkt, als volgt uit: “liefde is een ongebonden variabele”. Liefde kent geen harde grenzen. Ik houd oprecht van iedereen die we die dag deelgenoot maakten van ons geluk. Het spijt me dat ik er zelden toekom om het hen expliciet te zeggen. Het liefhebben zelf heb ik altijd beheerst, het onder woorden brengen valt me moeilijker. Mijn familie: het spreekt voor zich dat ik hen liefheb. Mijn uitgebreide schoonfamilie idem: wat heb ik die mensen graag. Mijn vrienden: uiteraard. Iebes vriendinnen: evenzeer. Laten we gemakshalve in de toekomst van onze vrienden spreken. Mijn collega’s: ook hen ben ik genegen. In tegenstelling tot liefde kent de capaciteit van een feestlocatie wel absolute grenzen, anders had ik er nog veel meer uitgenodigd. Vrienden van onze ouders: waarom zouden we ook hen niet liefhebben? De lijst van mensen die we graag zien is uiteraard niet beperkt tot de gastenlijst van ons huwelijk. Wat 18 juni 2016 zo bijzonder maakte is niet alleen de bezegeling van ons huwelijk, maar ook het feit dat er zoveel mensen die we graag zien samen waren op dezelfde dag, zelfde plek. Zo’n gebeurtenis vindt normalerwijs hooguit één keer plaats in een mensenleven. Ter volledigheid had er op de binnenkant van mijn trouwring het volgende kunnen staan: Iebe en David, en allen die ze liefhebben. 18.06.2016: ons feest van de liefde. 

dinsdag 20 september 2016

Bermparadijs bij Gent-Dampoort

Op een zwoele zondagnamiddag bezoeken we de bermtuin van Stefaan Streulens, bijgenaamd Stefke Bermboer. Een schijnbaar verloren helling tussen de sporen van Gent-Dampoort en een huizenrij aan de Kogelstraat blijkt een koel paradijs te herbergen. Een tuin waarin er meer te ontdekken dan te werken is.
De grond is eigendom van spoorwegbeheerder Infrabel en wordt door Stefke gehuurd voor een habbekrats. Het perceel was tot een tiental jaren geleden in gebruik als clandestien stort. Na een vrachtwagen vol oude fietsen, matrassen en schroot te hebben afgevoerd begon hij aan de aanleg.  De tuin getuigt van zijn ecologische visie, met maximale aandacht voor biodiversiteit en gesloten kringlopen. Voor de inrichting maakt hij zoveel mogelijk gebruik van gerecupereerde materialen. Zowel de afsluiting als het fietshok zijn gemaakt van tuinafval. Tuinresten worden ook gebruikt om het organisch materiaal in de bodem aan te rijken. Uiteraard worden er geen chemische bestrijdingsmiddelen gebruikt. In het contract met de spoorwegbeheerder staat dan geen van de partijen pesticiden mag gebruiken, maar daar heeft Infrabel zich de voorbije tien jaar niet veel van aangetrokken. Stefke: ‘Tot voor kort spoten ze tot aan de rand van onze tuin, gelukkig zijn ze een half jaar geleden overgeschakeld op mechanische onkruidverwijdering.’

Biologisch waardevol

Zelf werkt Stefke liever volgens het principe ‘laat alles maar groeien’. Hij gaat er prat op dat hij hooguit tien uur per jaar in de tuin werkt. Zo blijft er heel veel tijd over om te ontdekken welke beestjes er hun thuis hebben gevonden en welke planten de bermhelling koloniseren. Elke keer als hij zijn tuin betreedt verwondert hij zich over alles wat hij tegenkomt. Zo zag hij er al een fazant, een boommarter en een eekhoorn, naast een weelde aan insecten. Als er een exemplaar bij zit dat hij niet kent, zoekt hij het op. Zo heeft hij al vele soorten leren kennen. Ook egeltjes zijn er meer dan welkom. Voor hen is er een heus hotel voorzien, gemaakt van snoeiresten. Hij benadert zijn tuin eerder vanuit het perspectief van een natuurbeheerder dan als een klassiek tuinier. Het grootste stuk van de tuin kan je als bos klasseren, maar er is ook een stukje berm dat nu en dan gemaaid wordt en als soortenrijk hooiland dienst doet. Af en toe grijpt Stefke in door een woekerende soort te stoppen, om de biodiversiteit een zetje te geven. Bij de vele plantensoorten die in de tuin te vinden zijn horen onder andere moerasspirea, teunisbloem en berglook. Dit laatste is een vrij zeldzame plant die spontaan de weg naar de bermtuin gevonden heeft. Om op een relatief kleine oppervlakte ook voor waterplanten plaats te kunnen vrijmaken heeft hij twee tonnen in de grond gegraven en gevuld met water. Vogels komen er graag drinken. Met terechte trots vertelt Stefke dat zijn tuin een hoge score heeft op de biologische waarderingskaart.


De groene bananenschil

Ook voor mensen is het heerlijk toeven in de bermtuin. Stefke gebruikt de boomhut, die plaats biedt aan maximaal acht mensen, nu en dan voor vakbondsvergaderingen. Het is ook één van de favoriete plekjes van zijn dochtertje, die intussen ook zelf een kamp heeft gebouwd met gestapelde takken. De groene oase naast de sporen houdt trouwens niet op aan de afsluiting van de bermtuin, maar loopt zo’n halve kilometer verder tot aan de Slotenkouter, de volkstuintjes bij de Hogeweg. Stefke: ‘Vroeger was het hele gebied zo’n 22 hectare groot, en stond het bekend als de Groene Banaan. Dan zijn er sporen bijgelegd en werd het stuk groen dat nog restte de Groene Bananenschil genoemd. Mijn tuin is de Groene Bananenschilsteel’. De ‘bananenschil’ is te bereiken via een pad naast de sporen. De Stad had op een bepaald moment het plan om er een fietspad aan te leggen, als groene fietsas tussen Gent-Dampoort en Oostakker. Uiteindelijk botste het idee op oppositie van de lokale Scouts, die vreesde voor diefstal van hun materiaal. Een ongegronde vrees, volgens Stefke: ‘Dat fietspad zou het aantal diefstallen en inbraken net kunnen verminderen, omdat er meer passage en sociale controle is’. Bovendien zou het dit mooie stukje natuur in de stad kunnen ontsluiten. Stefke wil er zich graag voor inzetten.

De groenste wagen van Gent

Na afloop van het bezoek aan zijn tuin neemt Stefke ons mee naar zijn garage. Hij werkt er aan de groenste wagen van Gent. Dit blijkt een soort fiets te zijn, waarin je met vier kan trappen.  Achterop kunnen er kindjes zitten of is er plaats voor bagage. Het koetswerk is gemaakt van afgedankt materiaal uit een oude drukkerij. Voorlopig is de topsnelheid begrensd op zo’n 10 km/u, maar met elektronische ondersteuning hoopt Stefke 20 km/u te halen. Daarvoor doet hij een warme oproep aan mensen die interesse hebben om het prototype samen met hem verder uit te werken. Je mag met de wagen overal de baan op, er is nog geen wetgeving rond. Een ideale oplossing voor wie de bakfiets te klein wordt en niet wil overschakelen op gemotoriseerde voertuigen. Misschien rijden er over een aantal jaar verschillende van deze fietswagens rond? Met deze wagen mag je beslist de lage emissiezone in die in 2020 in voegen treedt.