zaterdag 16 oktober 2010

Caminho (3)


Dag 4

De vierde dagtocht kondigt zich aan als één van de mooiste. Klimmen in de Labruja vallei tot op de heuvelpas van Alto de Portela Grande, waarna het pad zachtjes hoogte lost tot in het dorpje Rubiães, waar we zullen overnachten. Meer dan de helft van het traject op wandelpaadjes, voor het overig op rustige landwegen. Een dag waarop men zich kan verheugen op mooie vergezichten, maar dat is buiten het weer gerekend. Voor het eerst geen hyperactieve zon, maar een dicht wolkenpak. Occasioneel een bescheiden buitje. De koelere omstandigheden nodigen uit tot een stevigere tred, zonder ons daarvoor meer te hoeven inspannen.

Na afloop van de examens een goede week terug heb ik me zelfgenoegzaam getrakteerd op een digitale spiegelreflexcamera. Tussen mij en compactcamera’s is het gedaan. Ze zijn handig van formaat, dat wel. Je kan ze in je broekzak steken. Of in je chacosse, dames. Je kan ze op elk ogenblik bovenhalen om de spontaanste (maar vaak ook de banaalste) gebeurtenissen te vereeuwigen. Helaas laat je zo’n kleinood gauw vallen. Het zijn de vele tuimelingen die het einde van mijn compact toestel hebben ingeluid. De drang een nieuw klein toestel aan te schaffen was niet al te groot. Het ligt niet in mijn bedoeling overal waar ik kom maniakaal plaatjes te schieten. Dan heb ik liever een echt goed toestel. Enkel voor bijzondere gelegenheden, zoals mooie reizen en feesten. Mijn nieuwe camera is een standaard spiegelreflex model, voorzien van een standaardlens. Mocht ik plots de behoefte voelen om een kanjer van een falluslens in mijn bezit te hebben dan kan ik er één aanschaffen, hoewel dat dubbel zoveel kost als het toestel zelf. Daarenboven kijken meer ervaren fotografen een beetje neer op amateurs die met hun spiegelreflex lopen te pronken. Een al te opzichtige lens zou daar geen goed aan doen, tenzij ik me kan voordoen als een professionele fotograaf.

Mijn fototas hangt over mijn schouder voor me; met enkele seconden heb ik voldoende om hem paraat te maken voor actie. Niets van schoonheid mag aan mijn lens ontsnappen: landschappen, pittoreske dorpjes, krakkemikkige kapelletjes, en niet te vergeten: mijn vriendin. Hanne, Iebes zus, is aanhanger van de theorie dat amateurfotografen de mooiste foto’s trekken van de mensen die ze het liefste zien. Proefondervindelijk stem ik daar mee in. Ik beschouw het dan ook als mijn missie om geslaagde foto’s van Iebe te trekken, in eender welk mooi kader dat zich op de weg aandient. Opdat Iebe mij zou herinneren als diegene die zo mooie foto’s van haar heeft getrokken! Uit liefde, niet dankzij het fotografisch talent dat hij niet bezat! Dat mijn goed toestel er voor iets tussen zit mag ze dan weer wel vergeten.

Aan het eerste café langs de weg zien we het Engels koppel genieten van een drankje. “We’re doing a café camino”, roepen ze ons schijnbaar verontschuldigend toe. Het pad wordt enkel maar in haar rust verstoord wanneer we voor de tweede maal een autosnelweg kruisen. De route loopt onder een lawaaierige viaduct door. Het geheel van pilaren die de viaduct ondersteunen doet denken aan een Egyptische tempel. Hetzelfde kluwen van verticale mastodonten. Wat verder, net voor het pad heel steil over de heuvel ligt gedrapeerd, treffen we een winkeltje aan. In het kapelletje aan de overkant van de straat slaat het noodlot toe. Nadat ik flitsgewijs een foto heb getrokken van een sculptuur die St-Jacob met wandelstaf en kalebas afbeeldt, valt mijn camera uit. De batterij houdt het voor bekeken. Op één van de mooiste etappes! Geen opname van de schattige geitjes op de berghelling. Geen kiekjes van de vele gele pijlen op de bomen die ons de juiste richting aanwijzen. Geen plaatje van hetcruz dos Franceses, waar vele van onze voorgangers een steentje hebben bijgedragen tot de hoop keien die er de top van de heuvelpas markeren. Geen beeld van de blauwe bres die de hemel openbreekt, de opklaring die ons toelaat de vallei die zich voor ons openbaart in zonlicht te bewonderen. Laten we ervan uitgaan dat onze beeldrijke herinneringen net zo min vervagen als de pixels van een digitale foto.

In ons boekje staat het volgende te lezen, naar aanleiding van de heuveltop die we zopas overwonnen hebben: “I like the idea that high places reflect Higher Mind – that place where clutter and illusion seem to evaporate in the rarefied of the mountains.” De auteur heeft kennelijk niet veel nodig om in een hogere sferen te verkeren; even 410 meter boven de zeespiegel doorbrengen volstaat. Met ervaring op de schotse Highlands, de Slovaakse Tatra, de Spaanse Pyreneeën, de Franse Alpen en –niet in het minst- de Gentse Blandijnberg , is zo’n bescheiden bult een lachertje. Hoewel. De steiltegraad maakte het bij momenten knap lastig.

Voor ons openbaart zich een panorama dat wellicht tot in Spanje reikt. De grens, gevormd door de brede Minho river, ligt op een dag wandelen van ons. De omgeving hier valt best wel te pruimen. Bevrijd van alle fotostress volgen we de afzink tot in de beboste vallei van de Coura. Onderweg passeren we de ruïnes van een oude watermolen. Het twaalfde-eeuwse kerkje van Rubiães is best aardig. Het rondbogige romaanse portaal is voorzien van nogal afgesleten sculpturen. Het dak wordt gedragen door stierenkoppen. Niet ver daarvandaan staat een authentieke Romeinse mijlpaal. In de loop van de geschiedenis werd ze uitgehold en als sarcofaag gebruikt. Vandaag staat ze weer fier rechtop langs de kant van de vroegere Via XIX.

Onze pleisterplaats voor vannacht is een oud schooltje dat werd verbouwd tot een hostel voor pelgrims. Vijf van onze collega’s liggen languit op hun bed te bekomen van de geleverde inspanningen. De voeten bevrijd, al dan niet met muziek in de oren. Een Australische vrouw van rond de vijftig stelt ons voor aan Dominique, de blonde dame die we gisteren reeds in Ponte de Lima hebben gezien. Zij blijkt een landgenote te zijn, uit het Franstalige landsgedeelte. Haar Nederlands is nog slechter dan ons Frans, dus maken we gebruik van de taal van Molière. Dominique is leerkracht Frans en Spaans op een middelbare school in Louvain-la-Neuve. Ze spreekt vloeiend Spaans en is van plan spoedig Portugees te leren. Dat boerentaaltje uit het Noorden spreekt ze niet, maar ik neem het haar niet kwalijk. Ze liggen zo moeilijk in de mond voor Romaanstaligen, die harde Germaanse klanken. De gesprekken die we met Dominique voeren stuiten op onze beperkte kennis van het Frans. Standaard gesprekjes voeren lukt aardig, een uitgebreider relaas beginnen is schier ondoenbaar. Ik zou in het algemeen wat minder angst mogen hebben fouten te maken in een vreemde taal. Dat zou mijn language skills beslist een boost geven. Misschien toch een cursus Frans volgen volgend academiejaar?

Na een weinig bevredigende maaltijd duiken we vroeg het bed in. Alle anderen hebben ons dat voorgedaan en liggen reeds onder de lakens. “Early to bed, early to rise”, het motto van de ware pelgrim. Je krijgt naderhand een sterk gevoel van samenhorigheid met de andere bedevaarders. De medereizigers; wat graag zou ik foto’s van hen trekken, maar ik durf het hen niet vragen. Ze doen meer dan deze reis stofferen, ze vormen één van de pijlers. Allen op weg, niet alleen, samen. Als een spiegel van het leven, waarin je er nooit alleen voor staat, en zelden alleen voor gaat. Op een pad dat velen voor ons bewandeld hebben, en velen na ons zullen volgen. Ik begin te mijmeren; het is tijd voor te in te dommelen.

zaterdag 9 oktober 2010

Caminho (2)


Dag 2

Wanneer we het slapen voor het waken inruilen zijn de Oostenrijkse meisjes al hun boeltje aan het pakken. Vroege vogels, het is amper acht uur! Een halfuur later zijn ook wij vertrekkensklaar. Nog niet ontbeten, wel wat rantsoen gekocht in het plaatselijke winkeltje. Na een halfuur houden we halt langs het pad, nabij de Alto da Mulher Morta, de top van de dode vrouw. We kunnen maar beter snel wat eten naar binnen spelen, voor we zelf het loodje leggen. Melkbroodjes, chocolade en sinaasappelsap, voldoende om de suikerspiegel naar behoren op te krikken. Intussen lopen de Nederlander en de Duitser ons voorbij. “Nu al aan stoppen toe?” roept de Hollander ons smalend toe. Die halen we nog wel in. Het ontbijt brengt de spijsvertering in een hogere versnelling, met als resultaat dat een grote boodschap zich opdringt. De gebruikelijke ochtenddefecatie, ware het niet dat er in de wijde omtrek geen toilet te bespeuren valt. Een pelgrimsbar over anderhalve kilometer zal soelaas brengen. Anderhalve kilometer troosteloze asfalt. In de herberg van Pedra Ferada mag je als pelgrim straffeloos zwartkakken. Men trakteert je daarenboven op een extra stempel in de Credencial, en onze drinkflessen worden bijgevuld. Je kan de locals bezwaarlijk verwijten munt te slaan uit de pelgrimsroute die aan hun deur passeert.

De route gaat via verharde wegen naar het stadje Barcelos. Geen pretje. De asfalt blinkt evenzeer door de hitte als ons voorhoofd. Net als gisteren passeren we vandaag langs weinig fraaie industriegebieden en banale woonwijken. Zoals het doel de middelen heiligt, heiligt de eindbestemming de route, spreken we onszelf bemoedigend toe. Gisteren was het ook al van dat. Het landschap is minder idyllisch dan we verhoopten. Lage heuvels bezaaid met witte villaatjes. Al bij al weinig natuur, op enkele dun bezaaide Eucalyptusbosjes na. Een exoot nota bene, die Eucalyptus. Niet dat het bij ons in Vlaanderen zo veel beter is. Hetgeen we percipiëren als groene ruimte is in werkelijkheid een gefragmenteerd lappendeken van akkers, weiland, lintbebouwing, industrieterreinen en heel uitzonderlijk een flardje natuur. Toch hou ik daar meer van dan van dit landschap. Ik vermoed dat ik begiftigd (of vergiftigd) ben met een sterk heimatgefühl. Gelukkig beschik ik ook over een serieuze portie wanderlust. In voel me eigenlijk steeds een beetje reiziger, zowel thuis als op verplaatsing.

Iets voor Barcelos zien we de Nederlander, op honderd meter afstand gevolgd door zijn Duitse metgezel. Hij gaat te traag, zo maakt de Oranjefan ons duidelijk. De pintjes van gisterenavond zullen in zijn benen gevloeid zijn. Verder dan Barcelos zullen die vandaag niet raken. Wij zetten nog even door, iets meer dan negen kilometer om precies te zijn. Dat maakt een totaal van vijfentwintig kilometer. Zeker die laatste kilometers bijten in de kuiten. We klimmen naar een heuvelpas, alwaar onze albergue gevestigd is. Een gloednieuw gebouw, met drie grote kamers voorzien van verschillende dubbelbedden. De man achter de balie vraagt hoeveel pelgrims er vanochtend in Rates zijn vertrokken. Het waren er een achttal. Geen van hen, op ons na, blijkt de herberg van Alto da Portela te hebben gehaald. Als de anderen op schema willen blijven zullen ze morgen drieëndertig kilometer moeten stappen, een helse opgave.

Helemaal alleen in een herberg voorzien op meer dan dertig man. Midden in de nacht breekt een onweer uit. Een wonder dat ik daar van wakker wordt, gezien ik de gewoonte heb op mijn goed oor te slapen. Links ben ik zo goed als doof. Iebe, voorzien van oordoppen, blijft onbewogen doorslapen, mijn schone slaapster. Het gedonder lokt me uit mijn bed en noopt me het raam dicht te trekken. Terwijl ik terug naar mijn bed stap werpt een onweersschicht toneellicht op Iebes gezicht. Zelfs in het licht van de bliksem zie ik haar graag.

Dag 3

Het onweer van vannacht heeft de warmte niet volledig tot bedaren gebracht, maar ze valt al beter te verdragen. Na een uur stappen pauzeren we op een pittoresk romaans bruggetje. Een groengeel gevlekte hagedis vergezelt ons. Wat later nuttigen we de eerste maaltijd van de dag op het terras van een roadside cafeetje. Naarmate we verder naar Ponte de Lima trekken verandert het landschap. Het wordt mooier. Liefelijke vinho verde wijngaarden, stukjes bos die wat lommer bieden, heuvels die met granietrotsen gekruid zijn… Bovenal heel wat minder bebouwing dan de voorbije twee dagen.

Het stappen gaat schijnbaar een stuk vlotter, we zijn al een beetje gewoon aan de te dragen lasten en aan het kilometervreten. De laatste uren zijn naar goede gewoonte het lastigst. We worden voortdurend bijgehaald en voorbijgestoken door een gepensioneerd Engels koppel. De aandachtige lezer zal opmerken dat ze ons maar eenmaal kunnen voorbijsteken, tenzij we toertjes op een lusparcours stappen. Dat laatste is niet het geval. We halen de oudjes voortdurend terug in terwijl ze langs de kant van de weg aan het bekomen zijn, meestal en niet toevallig ter hoogte van een bar. Rest de vraag waarom we ons zo gemakkelijk laten kloppen door een stelletje senioren. Een van de verklaringen is dat ze erg lichtgepakt zijn: enkel meneer draagt een rugzak, die naar ons oordeel niet veel zwaarder dan vijf kilo weegt. Dat is wat anders dan de ruim twaalf kilo’s die wij op onze ruggen meezeulen!

We naderen Ponte de Lima langs de oevers van de Lima. De weg die de rivier volgt is mooi omboord met platanen. Talrijke koppeltjes toeven er op een bankje. Een echte vrijersdreef, zo je wil. De Lima werd in de oudheid geassocieerd met de mythologische rivier de Lethe, één van de vijf rivieren in de onderwereld. De schimmen die van haar water dronken vergaten hun voorbije levens. Het belangrijkste spoor dat de Romeinen in deze streek hebben achtergelaten is het tracé van de Via XIX, een heerweg die de provincies Lusitania en Gallaecia met elkaar verbond. De pelgrimstocht volgt dit traject grotendeels. Eenmaal in het centrum van het stadje gekomen blijkt de albergue aan de andere oever te liggen. Op zich geen onoverkomelijk probleem, ware het niet dat de brug driehonderd meter lang is. Na een hele dag terten doet zelfs dat pijn. De brug waarnaar het stadje genoemd is dateert uit 1368. In de talrijke lantaarnpalen die de brug ’s avonds verlichten zitten luidsprekers verborgen. Zo worden we verblijd met populaire Portugese muziek van op een lokaal radiostation. Beetje bevreemdend op zo’n middeleeuwse brug. Het is leuk kuieren in de straatjes van Ponte de Lima, zelfs met 25 kilometer in de benen. We besluiten een pizza te eten met zicht op de Lima. We opteren voor een pizza om dat de gerechten die we de voorbije dagen kregen voorgeschoteld ons niet konden overtuigen. Steeds een stuk vlees of vis, frietjes en wat sla en tomaten, je zou voor tien euro toch iets meer verwachten. Als je toehapt op het brood dat voor de maaltijden wordt geserveerd, betaal je al gauw een tweetal euro extra. Ook de pizza kan mijn culinaire verwachtingen niet invullen. Ik spiegel mezelf voor dat het in Spanje een stuk beter zal zijn.

Het dormitorium bevindt zich onder het dakgebinte van een mooi gerestaureerde oude woning. Tot het internationale gezelschap die er vannacht logeren behoren het Britse koppel, de Oostenrijkse meiden, een blonde Franstalige van middelbare leeftijd en enkele Spanjaarden. Wasdoppen in de oren moeten voorkomen dat we hinder ondervinden van gesnurk van medepelgrims. Tegen half elf ruilen we het waken voor het slapen. Wellicht sluit ik mijn dromen af met een slokje water uit de Lima, want ’s anderendaags kan ik mij er niets van herinneren.

zaterdag 2 oktober 2010

Caminho (1)




Proloog

“Anyone can choose to go on pilgrimage and begin to see their life as a sacred journey. We need to discover the mystery that is at the heart of the journey”. John Brierley, auteur van de reisgids die ons van Porto naar Santiago leidt, ziet het spirituele als de belangrijkste beweegreden om op pelgrimstocht te vertrekken. In elk jaar dat de naamdag van de apostel Jacobus, 25 juli, op een zondag valt, worden er in Santiago de Compostella - waar Sint-Jacob naar verluidt begraven ligt – volle aflaten uitgedeeld. Dit uiteraard enkel ten gunste van pelgrims die ten minste de laatste honderd kilometer van de bedevaart te voet hebben afgelegd. 2010 is zo’n heilig jaar. Een extra motief voor de weinige (goed)gelovige pelgrims die uit zuiver religieuze overwegingen de tocht aanvatten. Het tijdperk waarin mensen alles deden om hun plaatsje in het hiernamaals veilig te stellen ligt ver achter ons. Tegenwoordig wil iedereen de hemel al op aarde. Men kan ze geen ongelijk geven. De waarheid is dat wij niet met spirituele bedoelingen, laat staan met religieuze aspiraties naar Santiago trekken. Het lijkt ons gewoon een leuk ideetje voor een actieve reis. Toch is een voettocht van tweehonderddertig kilometer een soort zoektocht naar jezelf en naar elkaar. Zo’n onderneming gaat niet vanzelf en het pad ligt niet steeds met rozen bezaaid.

Porto, het startpunt van de Camino Portugués, vergast ons alvast op een warme ontvangst. De zon is al ettelijke uren over haar hoogtepunt heen maar het kwik is nog niet onder de dertiggradengrens gezakt. Het is meteen duidelijk dat de hitte een te duchten tegenstander zal worden. De avond brengt geen koelte. Het lijkt of alle straten en gebouwen de warmte uitademen die ze gedurende de dag in hun stenen hebben opgeslagen. Na een avondlijke wandeling langsheen steile steegjes en met blauwe azulejos geplaveide wanden vinden we ons pensionnetje terug. Op de krappe kamer is het (bijna) te heet om te vrijen. Ook het slapen kost moeite.

Dag 1

Het grote werk begint: een dagtocht van maar liefst zesentwintig kilometer. We kunnen pas goed en wel vertrekken om tien uur, waardoor we de kans verkijken om in de koele ochtenduren te stappen. We zijn namelijk verplicht te wachten op het openingsuur van de kathedraal om onze credencial, het officiële pelgrimspasport, aan te schaffen. Dat document moet in elke haltplaats afgestempeld worden en dient als bewijs van voltooiing na aankomst in Santiago.

Zoals verwacht is het wandelen in de warmte geen sinecure. Ingevet met factor 30 zonnecrème en met vele liters water halen we ternauwernood de finish. Voor het bijvullen van onze veldflessen rekenen we op mededogen van de plaatselijke bevolking en op drinkfonteintjes. Dat blijkt nog goed mee te vallen: we passeren regelmatig voorbij een cafeetje waar we kosteloos water kunnen bijtanken. Al het vocht dat we opslokken wordt onmiddellijk uitgezweet. Plaspauzes zijn volkomen overbodig en mijn T-shirt krijgt allures van een natte dweil. Hoe dan ook: transpiratie is een behoorlijk efficiënt koelsysteem. Het minste briesje op je bezwete huid maakt de hitte draaglijker.

De herberg van San Pedro de Rates, de eerste overnachtingsplaats, kost ons geen cent. Bij aankomst zitten een donkere Hollander, een bleke Duitser en twee Oostenrijkse meisjes op het terras , allemaal twintigers. Een Hollander en een Duitser: die komen lekker gratis logeren voor een week of twee. Mooi goedkope vakantie! Niets van aan. Beiden blijken ervaren pelgrims: veteranen van de Camino Frances. De jongeheren zijn onderweg compagnons de route geworden. Nu zijn ze met de Oostenrijkse meisjes aan de praat geraakt. De Duitstaligen vormen een drievierde meerderheid in het gezelschap, maar desondanks verloopt de conversatie in het Engels. De Duitser is fel gekant tegen Duitse militaire aanwezigheid op buitenlandse missies. “We already fucked it up twice” zegt hij, doelend op de twee wereldoorlogen. Een van de twee Oostenrijkse meisjes is van Servische komaf en voelt haar in die hoedanigheid medeplichtig aan de volkerenmoord van Srebenica. Hoe komt het dat dergelijke nationale trauma’s maar niet verwerkt geraken? Waarom voelen jonge mensen zich schuldig voor iets wat ze zelf nooit hebben meegemaakt? Het is goed te erkennen dat bepaalde gebeurtenissen in het verleden tot de zwartste bladen van de geschiedenis behoren. Waarom echter schuld voelen voor iets wat in voorgaande generaties heeft plaatsgevonden? Ieders bloed heeft bloed doen vergieten, al zal de ene meer generaties moeten teruggaan dan de andere. Zolang het maar niet opnieuw gebeurt, zolang je er zelf maar niet verantwoordelijk voor bent.

De avond werpt een sluier over de witte huizen van het dorpje. Ons reisboekje verklapt het volgende over onze overnachtingsplaats: “you might even be lucky enough to experience the wonderful ritual of the flaming queimada.” De queimada is een brandewijn op smaak gebracht met koffiebonen, suiker en de pel van citroenen. Nu ja, op smaak gebracht; niet echt mijn smaak. Het bereiden van de queimada verloopt volgens een ritueel met Keltische wortels, typisch voor Galicië en Noord-Portugal. De drank wordt in brand gestoken, waarna ze een tiental minuten wordt omgeroerd. Intussen worden occulte spreuken gereciteerd met als doel boze geesten uit de buurt te houden. Wij zijn, samen met een oude Griek en voorgenoemde twintigers, lucky enough getuige te mogen zijn van het mysterieuze gebeuren. De drank moet branden tot de vlammen blauw zijn, dan pas mag ze geschonken worden. In tussentijd vraagt de druïde van dienst - Nuno Ribeiro, de vriendelijke bezieler van de herberg – aan ieder van ons een liedje te zingen uit ons thuisland. Help: ik zingen? Terwijl dat volk naar mij staat te kijken? Nuno vraagt ons de spits af te bijten. Angstig kijk ik naar Iebe, die op haar beurt besluit ‘Op een kleine paddestoel’ in te zetten. Bedeesd kweel ik wat mee, terwijl ik bedenk dat er veel mooiere en typischere liedjes voorhanden zijn uit ons Vlaand’renland. Vervolgens komt de ultieme vernedering: de Nederlander begint ‘ons’ liedje mee te zingen, hij overstemt ons zelfs. Ach, opdracht volbracht, hoewel dat beter kon gezien mijn ervaring met jeugdreizen van de christelijke mutualiteit. Nu is het aan de overige pelgrims om het beste van zichzelf te geven. De Nederlander kiest voor het Wilhelmina. Hij zingt uit volle borst, met voorvaderlijke trots, hoewel zijn huidskleur een vreemde afkomst doet vermoeden. Zou het WK voetbal daar voor iets tussen zitten?

De queimada brandt blauw. Tijd voor het inschenken van de tasjes en gedaan met zwansen? Dat is buiten Nuno gerekend. Ieder moet één voor één naar de kolkende ketel komen, met de pollepel wat drank opscheppen en het vervolgens van op een hoogte terug in de pot gieten. Een mooie blauwe gloed stroomt dan uit de lepel, het lijkt wel lichtgevend plasma. Tijdens deze handeling dient men een wens uit te spreken. Hebben wij pech dat er een Nederlander in ons gezelschap verkeert, anders hadden we kunnen zeggen wat we maar willen! Die Griek heeft makkelijk spreken, niemand verstaat een jota van wat hij zegt. Ik verplicht mezelf mijn schroom opzij te zetten en loop naar de kom toe. Tenslotte gaat het om een mooi symbolisch en sfeervol moment. Vooruit dan maar: “Vrede overal en voor iedereen”. Nog geen vijf seconden in de kom staan roeren en ik stap al terug naar mijn plaats; ik heb me er gemakkelijk van afgebracht. Nochtans gemeend, mijn kinderlijk utopische wens. De meeste andere aanwezigen spreken een realistischere wens uit, met name dat iedereen behouden en gezond in Santiago zou mogen aankomen. Na de intimistische avondsluiting is het bedtijd. We delen de slaapzaal met de Oostenrijkse meisjes. Met anderen in een dormitorium en Iebe in een ander bed; dat zal wennen worden.

donderdag 13 augustus 2009

Liefdesdronken

“Wat de dronkene misdoet, wordt de nuchtere beboet”

Een dronken man heeft geen controle over zichzelf. Niet over zijn motoriek, evenmin over wat hij zegt. Hij lult en lalt wat onsamenhangende woorden bij elkaar, waar niemand echt naar luistert. Hij waggelt, strompelt en valt tenslotte. Het begint meestal onschuldig, met wat alcoholische consumpties om de gezelligheid een duwtje in de rug te geven. Het is algemeen gekend dat dergelijk nietsvermoedend gezelschapsdrinken kan ontaarden in een heuse verslaving. Gelukkigerwijs kan de meerderheid van de gevallen zich van de alcohol weerhouden op de momenten dat drinken ongepast is. Het fenomeen sporadisch een avondje te zuipen tot men in een toestand van straalbezopenheid verkeert echter, is een min of meer sociaal aanvaarde vorm van escapisme. De gevolgen zijn soms niet min. De reden dat ik het hierover heb, is niet omdat ik het cultuurpessimisme wil belijden, of om als een oud mannetje de losbandige jeugd te veroordelen. Ik wil enkel maar bekennen dat ik zelf ook weleens een dronkaard ben, zij het van een andere soort en ander allooi. Ik verduidelijk me even om die bekentenis kracht bij te zetten.

Gentse feesten. Tien dagen – of nachten veeleer – maatschappelijk verantwoord zuipen. Op elke straathoek in het geplaveide stadshart is er vertier en veel bier. Feestneuzen van diverse pluimage zwenken door de stad. Meisjes gekleed als lichtgetooide lichtekooien, mooie dames in bloemige jurken die met een hindenpas voorbijtreden, aangeschoten Hollanders met roodgebrande kop, flegmatieke rasta’s met patattenzakken aan de benen en cannabis in het hoofd; het is maar een beperkte greep uit het immense aanbod aan vierende mensen die je te zien krijgt in die dolle julinachten. Gezien mijn status als geboren en half getogen Genteneir ben ik moreel verplicht elke nacht op z’n minst voor enkele uurtjes door het feestgewoel te ploeteren. Een taak die ik graag ter harte neem. Anders dan de voorbije jaren wist ik mezelf dit jaar vergezeld van een geliefde. Het moet gezegd dat het een pak aangenamer is met je lief in de hand tussen de zwetende lijven te kronkelen dan zonder zo iemand die je voortdurend mag aanraken zonder dat te hoeven verantwoorden. Heel soms gebeurt het dat je onder kameraden hand in hand moet gaan, maar dat is enkel tijdelijk om elkaar niet kwijt te raken in de dampende massa waar het zwart ziet van het volk. Men moet zich daar niets nichterigs bij voorstellen. Met een vriendin bij de hand is dat niet nodig. Je vormt met haar een mobiele twee-eenheid die vlotjes doorheen het volk geraakt, de vrome rest van bekenden kom je daarna wel op goed geluk tegen. Feesten met diegene die je het dierbaarst is biedt een nieuwe dimensie aan het gebeuren. Je grijpt elke kans om je partner onverwijld tegen de billen te tikken, ten dans te vragen of vluchtig te zoenen, en toont daarmee aan de meute hoe gelukkig je bent bij elkaar.

Uiteraard is lopen paraderen met mijn liefje niet mijn hoofdbetrachting. Daarenboven vind ik bij momenten dat ik niet van mijn ‘liefje’ mag spreken , omdat dat woord een beetje bagatelliserend overkomt. Daar doet zich mijn probleem voor. Iebe lijkt me zoveel meer te zijn dan slechts mijn liefje. Naast genegenheid ontgin ik bij haar een hechte vriendschap, alsook een lijst andere goede ‘dingen’ waarvan ik me de moeite bespaar ze allemaal op te sommen. Het probleem - zover het een probleem te noemen valt- is dat er al te gauw hoogdravende woorden vallen, op papier of in gedachten. Het soort woorden die van een weinig nuchtere kijk getuigen, afkomstig van een man die dronken is van liefde. Het is niet zo dat ik van mezelf vind dat ik te kwistig omspring met dergelijke woorden. Kwistigheid heeft slechts zijn volle betekenis als het voorwerp waarmee kwistig wordt omgesprongen van grote waarde is. Zattemanspraat behoort niet tot die categorie.

Het liefdesdelirium vertoont zowel een aantal parallellen als grote verschillen met de dronkenschap veroorzaakt door alcohol. De belangrijkste overeenkomst is het onvermogen om het leven met een klare blik waar te nemen. Bij een alcoholroes kan je dat vrij letterlijk interpreteren. Een liefdesroes is minder eenduidig op dat vlak. Veelal is het wereldbeeld van de betrokkene erg romantisch. Romantisch in die zin dat ze gekenmerkt wordt door een hang naar het irrationele, en de daarmee gepaarde vlucht naar het onwerkelijke, naar een droomwereld. De werkelijkheid wordt niet meer als ‘werkelijk’ aanzien. Een groot onderscheid tussen een alcoholieker en een verstokte romanticus is dat het voorwerp van begeerte bij de eerste uiteraard aanwezig is op het moment dat de betrokkene zich zat drinkt. Zonder drank wordt je niet mulledronke. Anders ligt het voor het tweede vorm van dronkenschap. Je bent meestal pas liefdesdronken als je lief niet bij je is. Het is net omdat je haar afwezigheid moet dragen, dat een zweem van weemoed komt opwaaien. Ik moet toegeven dat ik er bij momenten ook aan lijd. Ik voel het bijvoorbeeld lichtjes opkomen op het moment dat ik op het perron sta om de trein huiswaarts te nemen na een aantal heerlijk liefdesnuchtere dagen bij mijn vriendin doorbracht te hebben.

Tijdens de laatste twee dagen van de Gentse fieste was het eerder de afwezigheid van mijn meisje dan de ethanol die mijn voeten van de grond lichtte. Dat hoeft niet te betekenen dat ik me niet vermaakte, het gaat om een ondertoon die zich op schaarse momenten laat gelden. Op de voorlaatste nacht ging ik met een makker naar een optreden van Daan kijken op de kouter. Daan laat zich steeds begeleiden door een uitstekende band, waartoe de behoorlijk aanlokkelijke drumster Isolde Lasoen behoort. Haar aangenaam voorkomen inspireerde een puber enkele meters naast mij om luidkeels zijn liefde te verklaren. Net op het moment waarop de band haar laatste bisnummer ging inzetten, en het publiek stil en vol verwachting op het orgelpunt wachtte, verhief hij zijn stem: “Isolde, ik hou van jou!”. Zowel de drummer als Daan zelve hadden de zielskreet gehoord, net als de helft van het volgelopen plein. “Graag bezig zien, maar echt houden van?”, was Daans repliek in zijn typische stijl. Daar heeft hij natuurlijk gelijk in. Het ging uiteraard om een kerel die, als het al geen grap was, wat last had van opspelende hormonen. Echte genegenheid trof ik een meter voor mij aan, bij een diepgelukkig paartje vijventwintigers. Heupwiegend en naar elkaars adem happend. Dapper de diepte van elkaars ogen zoekend zonder angst om erin te verdrinken. Liefdesnuchter in de vreugde van elkaars fysieke nabijheid, en tot ver over hun oren verliefd. Net zoals wij, dacht ik volkomen correct en nuchter. Net zoals wij over vijf jaar, dacht ik verder, maar ik wist niet goed of het een nuchtere dan wel een dronken gedachte betrof.

Later die nacht betrapte ik mezelf op een onvervalst beschonken gedachte. Drie en een half uur na middernacht stond ik thuis op het dakterras, naar het gezoem van de festiviteiten luisterend. Terwijl er nog duizenden mensen in de stad onder mij feestvierden, verschoof ik mijn focus naar de klare hemel boven mij. Ondanks de lichtvervuiling kon ik vrij scherp de omtrekken van de grote beer zien. Ursa major. Iebe bevond zich op dat moment in een huisje op het eilandje Caldey, voor de kust van Wales. Dezelfde constellaties aan het hemelgewelf bij haar als boven Gent. Het was alsof de sterren mij eensklaps bij haar brachten. Wat een dronken, sentimentele en dromerige gedachte. Ik was er even erg aan toe als de mannen die enkele uren later door hun benen zakten op de boordstenen langs de vlasmarkt, gebukt onder de kwalijke consequenties van hun binge drinking. Anderhalf etmaal later waren de feesten voorbij. Gent kon na 10 nachten razernij opnieuw haar eeuwenoude monumenten ontbloot aan de toeristen uitstallen. De kots en de drankbekers verdwenen andermaal voor een jaar uit het straatbeeld. Het was alweer goed genoeg geweest. Ik had geen tijd om te mopperen over het einde van de festiviteiten. Terwijl de laatste diehards op dinsdagochtend van de vlasmarkt geveegd werden, zat ik garen vanonder textielmachines te trekken. Een ideale gelegenheid om mij nog meer te bezatten met de gedachte aan mijn beminde, net als de hele stad bezig was met ontnuchteren.

"Ben ik een haven voor jou, of een tussenstation? Zeg je me op tijd wanneer je trein vertrekt, zodat ik je nog even achterna kan hollen?” Het is een vraag die, hoe omfloerst ze ook is, niet zou mogen gesteld worden. In een toestand van liefdesdronkenschap kan men echter vrezen voor een kater. Welnu, mocht het ooit tot een kater komen, laat het dan één zijn waarvan ik gauw met klein of groot verdriet kan uitzieken. Geen kater waarvan jaloezie een symptoom is, want dat is van alle gevoelens de zwaarste is om te dragen. Nochtans heb ik de gave jaloezie te kunnen omzetten in verdriet, wat veel dragelijker is. Misschien zou ik na een tijd een klein beetje deelgenoot kunnen worden van Iebes hervonden geluk. Waarom zou ik daaraan denken? Momenteel ben ik voor honderd procent deelgenoot van mijn geluk en haar geluk, van dat van ons te samen. Waarom zou dat niet zo kunnen blijven? U merkt dat ik mezelf verraad; voor het ogenblik ben ik liefdes ladderzat. Het hoofdkenmerk van liefdesdronkenschap is het dromerig denken aan de toekomst. Dagdromen van voorspoed, of dagdromen van angst om te verliezen waar men voor het ogenblik gelukkig mee is. Een nuchtere droomt niet over de toekomst, maar maakt concrete plannen. De werkelijkheid is dat het nuchtere en het beschonkene twee kanten zijn van dezelfde medaille, die zich beurt voor beurt aan het daglicht vertonen. Ik ben geen alcholieker, maar evenmin ben ik een onverbeterlijk romanticus. Dat neemt niet weg dat ik soms wat tipsy ben en van tijd tot tijd enkele gek dichterlijke ideeën krijg over Iebe, maar dan in beide gevallen zonder veel erg en zonder blijvende schade. Onverbeterlijke romantische gevoelens kunnen de gezondheid wel schaden. Net zoals overmatige alcoholconsumptie tot levercirrose kan leiden. Sommige romantici volharden in hun onwerkelijkheden, waardoor ze na een poos zelf het tijdelijke voor het eeuwige inruilen. Anderen laten dan weer alle hoop en idealen varen en eindigen cynisch en dronken – echt dronken– in een bruine kroeg, waardoor ze alsnog aan levercirrose kunnen sterven, als ze al niet stikken in de overmaat zwarte gal die uit hun paddenmuil komt gedropen. Gelukkig behoor ik niet tot die gevallen. Ik balanceer voortdurend tussen het realistische en het geïdealiseerde, een weg die niet onoverkomelijk is om te bewandelen. Wat ik bedoel is dat ze niet eens zo veel evenwichtskunstjes vergt, het is niet als lopen op een koord. Hartstocht is nu eenmaal dromen en doen. Zolang mijn zoeteke mijn vlagen van dronkenschap kan verdragen, alsook mijn legendarische verstrooidheid die verdacht veel op domheid lijkt, zit ik in de wolken terwijl ik met mijn beide voeten op de grond sta.

zaterdag 7 maart 2009

Naamstudie: Iebe

“What’s in a name? That which we call a rose, by any other name would smell as sweet” (William Shakespeare)

Iebe. Een vrije klinker, een bilabiaal plosief, een stomme e. In een lijst met tientallen andere namen van medestudenten, zo zag ik het voor het eerst. Zonder betekenis nog. Zoals het woord ‘productiebeslissingsfactor’ voor een kind klinkt, of “zit!” voor een ongetrainde puppy. Een reeks klanken of letters, die zijn concrete invulling nog moet krijgen. In het geval van een naam zijn de betekenismogelijkheden al wat afgelijnd, maar het kan toch nog vele kanten uit. Iebe verhulde nog vele geheimen. Het kon nog om een jongen gaan. Of om een klein meisje met vette haren en een Kempense tongval, alhoewel ik er mijn geld niet op zou verwed hebben. De naam had al een zekere belofte in zich. De belofte van iets feeëriek, de belofte dat het om een bijzonder iemand gaat. De naam van de boreling drukt vaak een wens van de ouders uit. Toen heiligennamen in de mode waren, hoopten de mama en de papa dat de kleine net zo deugdzaam en godvruchtig zou worden als de heilige naar wie hij of zij genoemd werd. In september 1939 werden in Duitsland opvallend veel Sieghildes geboren, in de hoop dat het vaderland de tegenstanders met een snelle zege zou verpletteren. Tegenwoordig zijn er explicietere voorbeelden te vinden, zoals ‘Beauty’of ‘Pax’, al gaat het om uitzonderingen. Meestal heeft de esthetische factor de bovenhand ten opzichte van de verborgen wens die al dan niet in de voornaam schuilt. Vermoedelijk valt ook de keuze voor Iebe binnen deze tendens. Desondanks schuilen er talrijke betekenissen in de naam. Het is in die optiek dat ik een kleine etymologische studie heb ondernomen naar de wortels van de naam Iebe.

Iebe op google. 249000 hits. De tweede site in de lijst lijkt te zijn wat ik zoek: “Afkomst en betekenis van de voornaam Iebe”. Het heeft echter letterlijk niet veel te betekenen: naast ‘Oorsprong en betekenis’ siert een zwevend streepje. Een andere site weet meer. Dat Iebe een Friese naam is, bijvoorbeeld, die doorgaans voor jongens wordt gebruikt. Of dat het een afkorting of variant betreft van Ibelina, Ibichje, Iebeltje, IJbella of Ypke. De volgende webstek oppert een link met Ebe, dat voor ‘everzwijn’ staat. Wilde suggestie. Zou er een verband bestaan met Thisbe, de Babylonische schone? Ik heb het ooit aangedurfd haar zo te noemen. Ze vroeg zich vervolgens af wie dan haar Pyramus zou zijn. Ik heb daartoe geen ambitie. Ik woon niet naast haar, zoals de twee geliefden in het verhaal. En de mythe kent een heel tragische afloop. Vondel heeft het in zijn Herscheppinge over ‘Tisbe, een eer in het oost’. Ze komt uit het verre Westen. Zoveel overeenkomsten met Thisbe heeft ze dus niet, behoudens het feit dat ze ook mooi is.

Gaandeweg heeft het begrip Iebe aan betekenis en aan belang te gewonnen. Het begon met het horen van haar naam, en de realisatie dat zij die naam draagt. Iebe werd dat bekoorlijke meisje met het milde stemgeluid. Dat meisje met het ingetoomde accent dat haar herkomst keer op keer verraadt. Het meisje waar ik verliefd op werd. Zo verliefd dat ik het niet kon laten haar naam op te speuren in de puntenlijst van het practicum Analytische Chemie. Daar maakten ze tot mijn grote ontsteltenis gewag van een zekere Febe. De jongedame in kwestie was wel nog dezelfde gebleven. Nog steeds met de glimlach waarmee ze in staat is je in enkele seconden als in cadeaupapier in te pakken. En voor de gelegenheid met een overlangs gescheurde laboratoriummantel.

Iebe blijkt een onuitputtelijke inspiratiebron in de nomenclatuur van planten en dieren te zijn. Om te beginnen is er de Ibis, een vogel die graag met de poten in het water waadt en die een nogal vreemd gevormde snavel heeft. Het beest genoot een heilig status in het oude Egypte, en werd afgebeeld als hiëroglief. De Ibis onder de Ibissen is de Ibis ibis, in het Nederlands ook wel gekend als de Afrikaanse nimmerzat. Schuilt hier de heimelijke wens van de ouders? De wens op een kind dat nimmerzat, en dus nooit dronken is? Een beetje vergezocht misschien. Een kind naar een boom noemen, het behoort ook tot de mogelijkheden. In Iebe’s geval dan naar de Iep. Bloeit voor ze blaadjes draagt, groeit graag op steile hellingen en heeft bijwijlen last van de Iepziekte, veroorzaakt door een schimmel die overgedragen wordt door de iepenspintkever. Over spintkevers gesproken: er is er één die Ips heet in het Latijn, met name de letterzetter. Deze houdt zich fulltime bezig met het irriteren van bomen, door het bastweefsel aan te tasten. Een geliefd slachtoffer is Abies, de spar. Interessant om te vermelden: het betreft een polygame soort. Waarom zoveel Iebe in de taxonomie? Wat drijft die biologen? Zou het kunnen dat Iebe van het Oudgriekse bios (βιος) afstamt, dat ‘leven’ betekent? In dat geval lijkt de link duidelijk: Iebe staat voor het leven zelf! De biologie had dan evengoed ibiologie kunnen heten. Deze hypothese wordt bevestigd door een aantal voorbeelden uit de biochemie (of moet ik ibiochemie zeggen?). Het is met name zo dat ook wetenschappers die een meer reductionistische kijk op het leven hebben, in het geniep Iebevarianten in hun begrippen verwerken. Voorbeelden legio: van IEP (Iso-Elektrisch Punt) over Ubiquinone naar Ubiquitine.

Een naam kan, zoals ook een baksteen dat kan, plomp naar beneden vallen. Toen ik Iebe niet langer kon vasthouden, heb ik haar moeten lossen. Niet per ongeluk, maar weloverwogen. Het voorval vond plaats op de Korenmarkt, op een najaarsavond. De temperatuur was net inschikkelijk genoeg om onze consumptie buiten op een terrasje te nuttigen. Een select kransje kameraden was present op het gebeuren. De bekentenis kwam niet onaangekondigd, maar na een exposé waarin ik stelselmatig de ernstigheid en de wanhoop van mijn toestand had uitgelegd. Ofschoon het voor de toehoorders niet veel meer moet geweest zijn dan een fait divers, voelde het voor mij aan als een schakelmoment. Op het ogenblik net voor Iebe uit mijn stembanden kwam getuimeld, leek het alsof alles en iedereen stilstond. Alsof iedereen interesse had in de nakende confidentie. In werkelijkheid kon het niemand een zak schelen, natuurlijk. Geen discontinuüm in de drukte op het plein. De enige aarzeling kwam van mezelf. Het leek wel of ik een misdaad had begaan. Had ik mij, door het vernoemen van Iebes naam, op verboden terrein begeven? Had ik mij een recht toegeëigend dat me niet toekwam? Had ik Iebe ontheiligd?

Iebe is ook waar je ze niet verwacht. In de bedrijfswereld, bijvoorbeeld. Ibis hotel, om maar iets te noemen. Ik word er vrijwel dagelijks mee geconfronteerd, aangezien ik rakelings voorbij Ibis Kathedraal en Ibis Opera passeer op mijn ochtendlijke fietsrit naar de universiteit. “Ibis maakt kwaliteit tastbaar en service concreet”, zo staat te lezen op de webpagina van de hotelketen. Mooi zo. Een onderhoudsbedrijf uit het Friese Stiens, gespecialiseerd in timmerwerk, dakramen en schuttingen, heet onomwonden Iebe. Een andere expliciete verwijzing vinden bij ’s werelds bekendste veilingssite: Ebay. Met Iberia Airlines kan je naar Ibiza vliegen. Zelfs in de toponymie treffen we het fenomeen aan: in het West-Afrikaanse Guinee-Bissau ligt het dorp Iebe.

In de loop van de winter werd duidelijk dat ik mij niet op verboden terrein had begeven die avond toen ik Iebes naam pardoes liet neerploffen. Onverwacht gunstige signalen bereikten mij via radiofrequente elektromagnetische straling, wat voor gevolg had dat ik haar beeltenis nog meer voor mijn geestesoog opriep dan voorheen. Tegelijkertijd was haar naam zowat een mantra geworden. Iebe Iebe Iebe, al fluisterend boven de cursussen, zachtjes zingend voor het slapengaan. Balpennen en markeerstiften testte ik steevast uit door haar naam ermee neer te schrijven. Op elk kladblad met examenvoorbereidingen was wel ergens een Iebe te bespeuren.

Voor de allermooiste betekenis en verwijzingen hoef ik enkel maar in de Duitse literatuurgeschiedenis te grasduinen, als het me toegestaan is één enkel lettertje weg te moffelen. Het begon al in de twaalfde eeuw, bij de benedictijnse abdis en mystica Hildegard von Bingen: “Jedwede hat einen Urtrieb nach iebender Umarmung” (vrij vertaald: iedereen verlangt naar een omhelzing van Iebe). Theodor Fontane, de Duitse negentiende-eeuwse realist, verspreidde volgende wijsheid: “Die Iebe lebt von iebenswerten Kleinigkeiten” (Iebe leeft van Iebewaardige kleinigheden). Goethe formuleert het hartstochtelijker, met Sturm und Drang: “Heut ist mir alles herrlich, wenn’s nur bliebe! Ich sehe heute durchs Augenglas der Iebe”. Ten slotte laat ik Hermann Hesse aan het woord: “Glück ist Iebe, wer iebt, ist glücklich”. Iebe, een universeel thema, door velen bezongen!

Gedaan met al die gekheid om een naam. Het betreft een mooie vlag, die een nog veel mooiere lading dekt. Om het met Shakespeare te zeggen: wat we een roos noemen, zou met een andere naam net zo lekker ruiken. Ik zou net zoveel van Iebe houden mocht ze Stéphanie heten, of Beauty (godbetert!). Toch heeft Iebe mettertijd voor mij zoveel betekenissen gekregen, dat het betekenisloos zou zijn deze in een paar regels te proberen samenvatten. Het is nu afwachten wat het snelst zal evolueren: de taal of de liefde.

woensdag 4 februari 2009

"Hetzij een depressie, hetzij een zware verliefdheid"

Liefje. Je bent mijn liefje niet, maar gun me even het plezier je zo te noemen. Op basis van wat ik deze ochtend vroeg gedroomd heb, meen ik voor even in mijn recht te zijn. De dag had slechter kunnen beginnen. Met een hardnekkige ochtenderectie bijvoorbeeld, die het onmogelijk zou maken tijdig aan de ontbijttafel te verschijnen. Of badend in het zweet, omwille van een iets te enthousiaste chauffage op volle toeren. Of gewoon enkele uren te laat, om dan met een zurige maag en een mottige kop vast te stellen dat het haast middag is. Dan is een zeemzoete droom met jou in de hoofdrol een aantrekkelijker scenario. Het was een doodgewone droge droom, mocht je het tegendeel veronderstellen. Het enige natte was de regen die met bakken uit de lucht viel. Niet het soort nattigheid dat sporen nalaat op het beddengoed. We zaten op een bankje, ik geloof dat het op de Blekersdijk was. Je had het koud, en we hadden geen paraplu bij ons. Om je mooie haren te beschermen, bood ik je mijn geruite hoedje aan. Dat hoedje van mijn pépé zaliger, waarmee ik mij maar zelden in het openbaar vertoon. Tot mijn grote verbazing leek het jou nog te staan ook. Je vleide jezelf tegen me aan. Tegen de tijd dat ik de warmte van je nabijheid gewaar begon te worden, werd ik wakker. Een blik op mijn radiowekker leerde mij dat het al iets na achten was. Ik sloot de ogen opnieuw, in de hoop het tafereeltje in de regen te kunnen voortzetten. Tevergeefs. In plaats van jou in mijn armen, op een bankje op de Blekersdijk, zag ik olifanten in het rond vliegen. Ik had mijn surrealistische droom kennelijk nog te goed.

Het ontbijt smaakt me tegenwoordig niet meer. Normalerwijs zou ik met gemak een half dozijn ovenverse boterhammen met hazelnootpasta naar binnengespeeld hebben, maar nu hield ik het op een drietal. Misschien moet ik ander beleg proberen. Speculaas, mijn vroegere favoriet. Of muizenstrontjes. Ik betwijfel of het zou helpen. De koffie, gewoonlijk een smakelijke noodzakelijkheid, geeft de laatste tijd slechts weinig weldadige aroma’s prijs. Desondanks blijf ik het spul drinken. Vanmorgen ook weer, tot mijn maag zich bijna binnenste buiten keerde. Onderwijl las ik de gazet. Als ik de tijd heb, ontsnapt geen letter die mij interesseert aan mijn aandacht. Tegen dat de krant uit is, is het dan iets na elf, en ga ik mij wassen en aankleden. Daarna duikt dan een middaggevoel op, en is het daadwerkelijk haast noen. Zo verging het mij vandaag opnieuw.

Rond het middaguur wordt een mens dan weer aan tafel verwacht, opnieuw voor een broodmaaltijd. Twee sneetjes brood met Gouda en een kop Earl gray thee, meer kreeg ik niet binnen. Mijn moeder opperde 2 oorzaken voor mijn gebrekkige eetlust: “Hetzij een depressie, hetzij een zware verliefdheid”. Ik weet het niet zeker, maar ik denk dat het om het laatste gaat. Op dagen zoals deze, waarop een onverwacht tedere droom kriebelig blijf nazinderen, is het nog moeilijker de ‘aanbevolen dagelijkse hoeveelheid’ kilocalorieën naar binnen te spelen. En dat terwijl ik nauwelijks een BMI van 20 haal. Het heeft niet alleen met de hoofdmaaltijden te maken, maar ook met de snacks tussendoor. Men haalt hier nooit tussendoortjes in huis die ik lust. Al wat in de koekendozen aan te treffen is, is chocolade. Ik meen te mogen beweren dat chocolade, en aanverwant lekkers, vooral door de vrouwen in huis gesmaakt wordt. Met de regelmaat van de maancyclus wordt de voorraad cacaoderivaten aangevuld. Gezien ik tot nader inzien niet menstrueer, prefereer ik ander zoetigs. Zoetigs dat ontbreekt in de tinnen koekentrommel. Geen wonder dat ik niet verdik.

In een poging nog iets van de dag te maken, ging ik het huis uit. De friste bleek nog mee te vallen, het was zelfs redelijk zacht. Mocht ik niet beter weten zou ik zweren dat het reeds lente was. Onnozele gedachte natuurlijk; weldra zou het weer gaan sneeuwen, regenen en ander ‘vuils’ doen. Ik zou derhalve niet van mooi weer spreken, maar van bedrieglijk weer. Toen het nog echt koud was, en onze rivieren en kanalen dichtgevroren waren, heb ik de kans laten liggen me op het gladde ijs te begeven. Wij twee hadden naast elkaar kunnen liggen op het ijs, de ogen naar de hemel gericht. Met mijn hand in mijn handschoen, mijn handschoen in jouw handschoen. Zoiets lijkt alleen voor dromen weggelegd. Zoals dat gaat met vliegende olifanten.

De eindbestemming van mijn queeste in de winterzon was de FNAC in de Veldstraat. Daar zou ik het Nieuwjaarsgeld dat ik van mijn oma gekregen heb uitgeven. Aan CD’s, boeken of films, mij eender. Het was hem om de troost van de consumptie te doen, een aankoop als medicijn tegen een winterdipje. Na een uitgebreide inspectie op alle afdelingen van de winkel bleek geen enkel aangeboden product geschikt om mij van de nodige behoeftebevrediging te voorzien. Met lege handen de FNAC uit stappen, het is ongetwijfeld één van de meest deprimerende zaken die je kunnen overvallen op een blauwe winterdag. Dan maar naar het Kruidvat, waar ze chemische vuiligheid verkopen onder de misleidende benaming ‘snoepgoed’. Een ultieme mogelijkheid om dikmakende viezigheid te verorberen, dus kocht ik spekken voor de totaalprijs van 2 euro. Ik heb immer de kwalijke neiging om dergelijke brol in zo kort mogelijke tijd naar binnen te werken. Geen idee waaraan dat te wijten is, ofwel is het gulzigheid, ofwel gaat het om zelfkastijding. In ieder geval boften de tandbedervende Streptococcen, die deel uit maken van mijn mondflora, ook vandaag weer.

Wat er voor het overige in de namiddag plaats heeft gehad, zal het vermelden wel niet waard zijn. Wat ik je wel kan rapporteren, is mijn tekort aan appetijt tijdens de warme avondmaaltijd. Ik val in herhaling, doelbewust. Een etmaal als dit is nu eenmaal gestoeld op herhaling. Na het eten begaf ik mij naar de vleugelpiano, voor een kort en intens muzikaal uitleven. Stel je daarbij niet te veel voor. Je speelt zelf piano. Als er één ding is dat ik zeker weet, dan is het wel dat ik met mijn spel geen indruk kan maken op mensen die zelf klavier spelen. Niet-pianisten kunnen wel even onder de indruk zijn. Heel even maar, tot ze door hebben dat hetgeen ik speel niet meer is dan wat idiote akkoordjes met de linkerhand, ter ondersteuning van een dwaas riedeltje van de andere hand. Muzikale mensen hebben dat door na enkele seconden, bij niet ingewijden kan het iets langer duren. Ik had graag ‘variaties op het thema Iebe’ willen componeren, maar ze zouden jouw naam niet waardig zijn.

Onder het motto ‘beter samen eenzaam dan alleen eenzaam’ belde ik enkele vrienden op om de laatste uren van de dag te volbrengen. Zonder al te veel succes. Vergeten dat Pol morgen op skireis vertrekt, terwijl Franske nog zit te bekomen van zijn laatste examen. In nood leert men zijn vrienden kennen. Gelukkig was er nog één bereid een pint te gaan pakken. Eén van de beste, het moet gezegd. Terwijl onze soldentruien de niet te harden stank van sigaretten absorbeerden, praatten we over de dingen des levens. Over het feit dat mijn vader, die dit jaar 50 wordt, met zijn eigen vergankelijkheid wordt geconfronteerd, omdat enkele vroegere medestudenten van hem het bijltje erbij neerlegden. Bij het leven, welteverstaan. Zij halen net de leeftijd die anderen zien als het middelpunt van hun bestaan; het moment waarop ze besluiten een motor en een nieuw lief aan te schaffen. Onze vrienden liggen nog niet op sterven. Zelfs nog niet op trouwen. Er zijn er wel enkele die al jaren met hetzelfde meisje vrijen, en op het punt staan ermee te gaan samenhokken. Het meest verontrustende is dat één van onze leeftijdsgenoten reeds problemen heeft om zijn machinerie op gang te krijgen. Het gaat om diegene die doorgaans het luidst over zijn bedprestaties opschept. Nu kan hij er enkel maar over janken. “Den automatique werkt niet meer, ge zult hem manueel moeten aandrijven”, had hij nog geprobeerd. Tevergeefs. Moedige swaffelpogingen van zijn aanstaande konden het probleem niet verhelpen. Arme stakker. Arme kameraad.

Nu lig ik terug in het bed, dat werkelijk veel te groot is voor mij alleen. “Toekomstgericht”, zo had ik de keuze voor het dubbelbed enkele jaren terug gemotiveerd. Er bekruipt me een gevoel dat ik, met enige overdrijving, zou kunnen benoemen als ‘fundamentele eenzaamheid’. Vroeger, als klein manneke, zei ik in mezelf steeds een gebedje op voor het slapengaan. Geen Weesgegroetje of een Onzevader. Elke keer wat anders. Een gesprek van man tot man. Ik gebood God om mijn groeten over te brengen aan dierbare overledenen, sprak een woord van dankbaarheid uit, smeekte om vergeving van mijn zonden en vroeg tenslotte om een gunst. Meestal gaf ik de allerhoogste de opdracht om op geheel telepathische wijze een liefdesverklaring door te sturen naar een meisje van mijn voorkeur. Hoe de ouwe de klus moest klaren, liet ik in het midden. Misschien met een openbaring in een droom, of iets dergelijks, ik liet de keuze aan hem. Zolang ik het zelf maar niet moest doen. Eigenlijk kwam het er op neer dat ik God gebruikte als middel tegen eenzaamheid. Een laatste aanspreekpunt. Het concept God is in vele situaties bruikbaar, maar in het bestrijden van het gevoel alleen te zijn is het voor mij het meest verdienstelijk geweest. Tegenwoordig doe ik geen beroep meer op zijn diensten. Ik heb mij neergelegd bij de diepgaande verlatenheid van het bestaan. Zelfs mocht jij nu naast me liggen, soezend tegen me aan. Helemaal zeker ben ik niet. Ik kan enkel het beste verhopen. Hoe dan ook, ik laat je. Het tintelt weer, omdat ik denk aan de droom waarmee mijn dag begon. We waren samen.

vrijdag 19 december 2008

Westwaarts

Ik en mijn auto. Nooit gedacht dat we ooit een complementair duo zouden vormen. In schokken vooruit door slecht voetenwerk, vader die mjin kop afzaagt tijdens de eerste testritten, het gevoel opgejaagd wild te zijn in een vijandig verkeer… Het heeft heel wat voeten in de aarde gehad de aanvankelijk mindere ervaringen op zij te schuiven, en met volle concentratie verder te oefenen met het oog m’n rijbewijs te halen. Je zou eens moeten weten wat voor een belachelijk euforisch gevoel dat was vanochtend, toen de examinator me geslaagd verklaarde. De 15 seconden waarin hij zich uit de wagen had begeven, en zijn vonnis aan me bekend maakte, leken in een ander tijd-ruimte continuüm voortgekabbeld te zijn – zo lang leken ze te duren. Na afloop van het examen spoedde ik me om bij de gemeente m’n rijpapieren te gaan ophalen. Vervolgens kroop ik opnieuw mijn bescheiden Golfje in voor een eerste excursie als matuur chauffeur. Westwaarts, want waar anders zou ik heen gaan?

Ik ben het gevaarlijke kruispunt van de Sterre net voorbij terwijl ik mezelf betrap op het feit dat mijn gedachten straffeloos afdwalen. Het voornaamste hierbij is dat ik de zwakke weggebruikers niet in gevaar breng, en de sterke weggebruikers evenmin irriteer. Vroeger zou ik letterlijk een ongeluk begaan hebben mocht ik even niet bij de les zijn geweest. Zoals dat gaat met de coördinatie van bewegingen, echter, verhuist de handeling in de loop van de tijd van de grote hersenen naar de kleine hersenen, zo ergens achteraan in de kop. Het geeft de grote hersenen de ruimte om aan andere dingen te denken, zoals aan mijn mooi en lief vriendinnetje. Zo gebeurt het ook, hier net voorbij de Sterre.

Mijn schat, ze had me verdorie veel meer moeite gekost dan dat rijbewijs waar ik ridicuul blij voor zat te wezen. Eigenlijk begon het als een onbezonnen zware verliefdheid van me, waarvan de fundamenten niet echt in de reële wereld te zoeken waren. Een onbeantwoorde dwaasheid, kortom, die mij terugkatapulteerde naar het maagdelijk en puberaal bestaan van mijn vroege tienerjaren, gedrenkt in kilo’s stroperige Weltschmerz. In het eerste jaar op de unief was ze me al opgevallen: ze was zo één van de meisjes waar je ogen altijd toevallig op vielen wanneer je het hoofd keerde naar de achterliggende rijen in het auditorium. In het tweede jaar kwam alles in een stroomversnelling. Dopamine, adrenaline, oxycotine, fenylethylamine, .., je moet ze me niet leren kennen. Rond die tijd ben ik voor het eerst bloed gaan geven bij het Rode Kruis. Ik was zo ondersteboven in die periode dat ik dacht dat ze al die hormonen in mijn bloed gingen aantreffen. De onfortuinlijke die mijn bloed gekregen heeft zal plotsklaps als door een pijl van Eros getroffen zijn. Onder invloed van de liefdeschemicaliën stuurde ik elke les een blik richting haar grote, bleke ogen. Dit deed ik in het bijzonder omdat ze die blik haast keer op keer opving. Naderhand begon het te dagen dat ze niet meer was dan mijn blikvanger. Bovendien was ik geen kerel meer in die periode: ik liep met weke knieën rond, had geen oog meer voor schoonheden anders dan de hare, en kreeg haast geen eten meer binnengeschrokt. Op een avond, in het stamcafé van de studentenvereniging, besloot ik tot actie over te gaan. Met de moed der wanhoop, en nog zonder alcohol in het bloed, zwansde ik haar mijn meest tactloze zinnen ooit toe. Doelbewust weliswaar, om haar aan het lachen te brengen. Mijn openingszinnen (genre: ‘Wat wil je bij het ontbijt, koffie of thee?”) werkten natuurlijk niet écht, maar deden haar wel degelijk lachen. “’k wist niet dat je ook grappig kon zijn nog voor je een druppel drank hebt aangeraakt”, riposteerde ze droogjes. Verbouwereerd voelde ik mijn zelfvertrouwen tot diep onder mijn voetzolen zakken. “Grapje”, voegde ze er lacherig aan toe. Op dat moment had ik het gevoel dat ik open kaart moest spelen. De grijze wereld van liefdesdromen en onrealistische waanbeelden zou eindelijk verdreven worden door de felle kleuren van de feitelijkheid. Die avond werd het nog blauw, diep blauw. Pas het jaar daarop kreeg ik groen licht, nadat ze me alle schakeringen van het visuele spectrum had doen uitslaan.

Al dat gemijmer brengt mij niet van de baan. Ik vorder aan een redelijke snelheid richting Deinze, op wat gekend staat als de hoerenboulevard van Gent en omstreken. De aparte handelszaken langs de weg slagen er evenwel nauwelijks in mijn aandacht te vangen. De Leie kronkelt zich hier in de buurt een baan door het effen groen, zich helemaal niets aantrekkend van de redelijk nabije neonverlichting. Ik ging hier vroeger vaak in haar buurt gaan fietsen. Om alleen te zijn onder de koeien die van de hitte met hun poten in de meanders van Ooidonk gaan staan. Nu passeer ik in Deinze zelf, dat bizarre provinciehol met zijn hoge industriële bakens. Je kan ze van velden ver zien: opgerezen fabriekstorens, hoekig en in blinde baksteen. De hele stad (voor zover de titel stad waardig) is vaalgrijs van tint. Zelfs het enige monument dat er te bezichtigen valt, de vroeggotische OLV-kerk, slaagt er niet in die grauwe indruk te ontstijgen. Toch voel ik een vreemdsoortige genegenheid voor de plek. Wellicht heeft het te maken met mijn allereerste lief, Flora, een Deinse van geboorte. Ik zie mezelf nog met haar aan de oevers van de Leie zitten, op een milde zomernacht. Ik, bedeesd mijn aanzoek makende, en zij, haar hoofd tegen mijn schouder vleiend. Die datum is lang de pincode van mijn gsm geweest, en beschouwde ik als mijn tweede geboortedag. Analoog beschouwde ik Deinze als mijn tweede geboortestad. Ik schreef Flora over de mooie Leie, die onze beider harten met elkaar verbond. Die sentimentele onzin sleepte iets langer dan een jaar aan. Na die tijd was ze me schijnbaar grondig beu geraakt. De eerste dagen nadat ze het met mij voor bekeken hield, was ik voor weinig rede vatbaar. Na een weekje uit kwam ik echter te weten dat ze er met een van mijn beste vrienden vandoor was. Mijn verdriet ruimde snel plaats voor boosheid, dat al even gezwind een stapje opzijzette voor onverschilligheid.

In plaats van rechtdoor te gaan richting Kortrijk, sla ik rechts af richting Tielt. Nog enkele kilometers op de N35, en ik bevind me in West-Vlaanderen. Highway naar de Far West, daar komt het een beetje op neer. West-Vlamingen zijn altijd de Cowboys van Vlaanderen geweest. En hun meisjes zijn de meest vertederende van het land. Dat accent! Vrolijk kwebbelend, niet in staat een verschil te maken tussen de ‘haa’ naar onder (zoals in hhhènt), en de ‘haa’ naar boven (zoals in hhhoarelbeke). Van allen vind ik mijn eigenste Westfluutmeisje toch het schattigst. Het vooruitzicht aan haar open armen op het einde van deze rit doet mij vooruitvliegen. Ik moet opletten dat ik mij aan de toegelaten snelheid hou. Ik sta al aan de lichten in Aarsele. Op een heuvel die getuigt van een vervlogen periode waarin de zee tot net voor hier kwam, en deze plaats midden in de duinen lag. Ik heb deze berg al verschillende keren overwonnen vroeger. Vaak met de fiets, één keer zelfs te voet. Van aan de stad waar die andere kanjer, de Blandijnberg, gesitueerd is. Stel je voor. Vandaag ga ik verder. Niet te voet of met de fiets, maar met de auto. Naar waar de zee vandaag nog is.

Rechtdoor en rechtdoor en rechtdoor. Het is warm in mijn autootje, op een zomerse junidag als deze. Het heerlijkst aan deze dagen is dat de duisternis pas laat komt opdagen. De zonnewende heeft me altijd betoverd. Op midzomernacht kon ik enkel slapen samen met de zon. Mijn kamer gaf uit op het noorden, maar dat vormde geen probleem. Ik liet mijn slaapkamerdeur wagenwijd open staan, waardoor ik vanuit mijn bed kon kijken door het raam in de gang, dat uitgaf op het westen. Zo kon ik een glimp opvangen van de laatste stralen zonlicht die de langste dag van het jaar te bieden had. Terwijl de lucht tussen het wiegen van de late bloesems van bleke schemer naar donkerblauw kleurde, kwam dan het weemoedige besef dat de nacht opnieuw het pleit zou beginnen winnen. Niet dat ik dan een half jaar liep te mokken. Ik liet er hoogstens een paar uurtjes slaap voor.

Intussen ben ik zo diep in het West-Vlaamse landschap doorgedrongen dat ik dat perifeer stukje België bereikt heb dat onze moedige manschappen gedurende 4 jaar van moffen hebben weten vrijwaren: de Westhoek. Momenteel flirt ik met de frontlinie, Diksmuide net achter me gelaten en de Ijzer net overbrugd. Moedige rivier, de Ijzer. Niet veel breder dan pakweg de Leie, maar tenminste in staat zich rechtstreeks in zee te storten. Zonder omwegen. Er wordt zelfs van haar verteld dat ze in het verleden bij machte was om al de omliggende weiden in het nat te doen waden. Tot kilometers ver. Mijn oprecht respect daarvoor. In Pervijze laat ik de N35 voor wat ze is, en kies ik voor de N355, ook wel gekend als de ‘Nieuwpoortstraat’. Deze zal mij naar mijn finale eindbestemming leiden. Ik stuur een bericht naar mijn voorkeursgeadresseerde, waarin ik haar meedeel dat ze in de nabije toekomst getoeter aan haar deur mag verwachten. Niet lang daarna breng ik mijn karretje tot stilstand voor haar huis en houd ik mijn claxon stevig ingedrukt. In de seconden die daar op volgen zet ik vlug mijn Roy Orbison zonnebril en zoek het gepaste deuntje. Ze komt naar buiten. Ik hang stoer met m’n arm uit het raam terwijl ik het opgelegde wijsje meefluit. Ze lacht. Ik gelukkig. We rijden naar het strand. Onzinnig eigenlijk, daar ze op wandelafstand woont, maar het is de eerste keer dat ik haar mag voeren, en niet omgekeerd.

Als we later in het zand liggen, overvalt me een hoogst ongewoon gevoel van catharsis. Zo tussen het lachen, het babbelen, het stoeien en het stilzwijgend luisteren naar het geruis van de zee. Liefde is evengoed elkaar beminnen tot op het bot, als elkaar gewoon kunnen verdragen. Het is evenveel je geliefde missen, als je geliefde kunnen missen. Het is evenzeer de omhelzing als het loslaten. Het plotse besef van die dualiteit doet me even dwaas en wazig voor me uitstaren. Ze kijkt me vragend aan. Ik beantwoord haar blik woordeloos met een flauw glunderen. Ondanks haar nieuwsgierigheid naar mijn geheimzinnig moment slaag ik erin haar te zoenen vooraleer ze me ernaar kan vragen. Haar mond smaakt zoet als honing, maar het is niet het soort zoetigheid waar je na een tijd genoeg van krijgt. Wat nu gaande is tussen ons krijgt misschien niet meer tijdsbestendigheid dan de vergankelijke dingen om ons heen, te weten een zandkasteel, de zee, en de duinen verderop, maar dat kan me niet deren. Niet het verleden telt, en ook niet de toekomst. Enkel het nu. Een nu dat ik nog een poos bij me wil houden.